Alleen school is belangrijk voor kinderen. Vinden volwassenen.

Toen ik een paar weken geleden opriep de kinderen een extra week herfstvakantie te geven zodat er een harde knip in de transmissieketen gegeven kon worden, kreeg ik met veel verbale agressie te maken. Scholen moeten hoe dan ook openblijven. Wat me nog het meest verbaasd heeft: dat heel veel mensen denken dat kinderen in mentaal of psychisch opzicht voor het leven beschadigd raken door één extra week herfstvakantie.

De New York Times kopt vandaag: “Het lijkt onwaarschijnlijk dat kinderen de verspreiding van het coronavirus aanjagen.” Voor jonge kinderen in het basisonderwijs wordt Nederland in het artikel daar als voornaamste bewijs voor opgevoerd. In Nederland zijn – in tegenstelling tot andere landen – de scholen open zonder restricties. Volgens Brooke Nichols, modelleur infectieziekten aan de Boston University School of Publich Health, blijkt uit de Nederlandse gegevens dat kinderen het virus nauwelijks aan volwassenen overdragen. Een redenering die we eerder hebben gehoord van het RIVM en het OMT, waar de wetenschappelijke bewijsvoering voor ontbreekt. Het is een aanname, want kinderen jonger dan 13 worden nauwelijks getest.

De situatie op scholen en onder kinderen is in Nederland een grote zwarte doos. Het bron- en contactonderzoek ligt in zijn algemeenheid vrijwel stil, maar ook toen het nog functioneerde, werd er onder kinderen nauwelijks bron- en contactonderzoek uitgevoerd. Bovendien werd toen het BCO nog ‘optimaal’ functioneerde slechts 30% van alle bronnen opgespoord. We weten dus maar bitter weinigo over de verspreiding. Wat we wel weten: kinderen en jongeren worden zelden ernstig ziek. Of er kinderen zijn met long-covid, is onbekend. Er wordt niet over gerapporteerd en er is geen centrale registratie. Besmet raken kinderen in ieder geval wel. In welke mate? Niemand kan daar antwoord op geven. Uit het percentage positief geteste kinderen uit de RIVM rapportage van afgelopen dinsdag kunnen we maar 1 ding concluderen: onder kinderen wordt veel te weinig getest. En verhoudingsgewijs basisschoolkinderen momenteel de groep die het meest vaak positief getest wordt.

Niet alleen in Nederland maar wereldwijd, is de discussie rond de rol van kinderen in de coronapandemie, zeer gepolitiseerd geraakt. Het is misschien wel het heetste hangijzer van de pandemie. Wetenschappelijke onderzoeken zijn bijna zonder uitzondering gebaseerd op verkeerde uitgangspunten, scheve selecties en te harde conclusies. Tijdens de eerste golf, waren bijna overal ter wereld de scholen gesloten. Waar ze niet snel werden gesloten, waren er toch relatief veel zieke kinderen. In New York City alleen werden 89 kinderen in ziekenhuizen opgenomen met de zeldzame ernstige complicatie MIS-C. Nederland rapporteerde ‘ongeveer’ 20 gevallen van MIS-C, terwijl de kinderen hier tijdens de ‘intelligente lockdown’ toch in relatieve afzondering leefden.

Pas deze herfst, tijdens de tweede golf, zullen we meer inzicht krijgen in het ziektebeloop onder kinderen die voltijds en zonder restricties naar school gaan. Nederland is de proeftuin van de wereld. Logisch, vinden wij, want school is het allerbelangrijkst voor kinderen en restricties op scholen, daar blijven we ver vandaan. De school vormt een belangrijke sociale basis voor kinderen en jongeren. Maar daarnaast vrezen we vooral de veronderstelde leerachterstanden die kinderen zouden oplopen door hybride of afstandsonderwijs.

Toen ik een paar weken geleden opriep de kinderen een extra week herfstvakantie te geven zodat er een harde knip in de transmissieketen gegeven kon worden, kreeg ik met veel verbale agressie te maken. Scholen moeten hoe dan ook openblijven. Wat me nog het meest verbaasd heeft: dat heel veel mensen denken dat kinderen in mentaal of psychisch opzicht voor het leven beschadigd raken door een extra week herfstvakantie. Eén extra week. Die je dan – als het echt moet – ook makkelijk van de zomervakantie af kunt halen. Eén week extra, voor of na de herfstvakantie. Als het ons om leerachterstanden zou gaan en het welzijn en de gezondheid van de kinderen hierbij centraal zouden staan, zouden we dat idee toch moeten omarmen.

Het belangrijkste argument waar ik mee om de oren geslagen wordt: op scholen is er geen corona. Alleen af en toe een incidenteel geval. Zal wel van een feestje zijn. Of van contact buite school. Daar lijken kinderen het dan wel aan elkaar over te dragen, maar zodra ze de school binnenlopen, is dat risico op overdracht blijkbaar op het schoolplein achtergebleven. De werkelijkheid: We weten simpelweg niet wat er gaande is op de scholen. Er is veel onrust, onder leerkrachten, maar ook onder leerlingen. Er is veel verzuim. Kinderen raken ook besmet. Vooral jongeren. In hoeverre ze elkaar aansteken? Onbekend. Bron- en contactonderzoek wordt niet gedaan. Sommige scholen moesten al de deuren sluiten. Klassen worden naar huis gestuurd omdat leerkrachten in quarantaine moeten of besmet zijn geraakt. Hoe het zit met verspreiding van kinderen en jongeren naar hun ouders is onbekend. Niemand heeft daar gegevens over. Niemand heeft zicht, of grip. En dat zou je nou toch juist wél willen hebben.

School is het allerbelangrijkst voor kinderen. Daar lijkt niemand aan te twijfelen. Om verspreiding van kinderen naar ouders tegen te gaan, raadt het RIVM aan om thuis zoveel mogelijk 1,5 meter afstand te houden. Naar opa en oma kunnen ze niet meer. Dat geldt tenminste voor de families die zich dat kunnen permitteren. Iets meer dan de helft van de ouders met baby’s en kleuters die gebruik maken van kinderopvang namelijk, laten de grootouders zeker 8 uur per week oppassen. Een derde van de ouders met kinderen in de basisschoolleeftijd, laten de grootouders 8 tot 12 uren per week oppassen. En vanwege de woningnood zijn er ook behoorlijk wat alleenstaande ouders die na een relatiebreuk samen met de kinderen bij de (groot)ouders op zolder hun intrek moesten nemen. In achterstandswijken wonen vaak meerdere generaties onder 1 dak.

Het is dus niet altijd even makkelijk, die 1,5 meter afstand. En de risicogroepen komen zo onvermijdelijk toch binnen het bereik van het coronavirus. Tenminste, áls kinderen dat überhaupt zouden kunnen verspreiden. En dan nog in welke mate. Met welke viral load. Want ze hebben vaak milde klachten, niezen en hoesten niet zo hard en dan zou het mee kunnen vallen. Buiten Nederland blijkt dat kinderen vaak een ander ziektebeeld hebben dan volwassenen en zou covid-19 bij hen zich vaak uiten in buikklachten en diarree. In Nederland lijkt dat niet het geval te zijn, althans niet volgens de website van het RIVM.

Intussen zijn de scholen in regio noord na de herfstvakantie alweer begonnen. De andere vakantieregio’s volgen vanaf volgende week. De tweede golf lijkt de ziekenhuizen als een tsunami te overspoelen. Alles wat met recreatie te maken heeft, is gesloten of draait met allerlei beperkingen door. Trainen mogen kinderen nog wel, maar wedstrijden spelen niet. De sportkantines zijn gesloten. Een middagje shoppen is niet de bedoeling. Ergens anders dan op school ergens in een binnenruimte samenkomen ook niet.

Op school draait alles door als normaal. En voor veel kinderen is dat prettig. Maar tegelijkertijd ook, maken veel kinderen zich zorgen. Sommigen piekeren dat ze hun ouders zouden kunnen besmetten, of hun grootouders. Of hun leerkrachten. En is er dan in de ziekenhuizen wel plek? Een meisje van 17 vertelde me dat ze ‘s nachts vaak wakker ligt omdat haar vader herstellend is van een hartoperatie en ze iedere dag moet wikken en wegen of het nog verstandig is om naar school te gaan. Moet ze dit jaar als verloren beschouwen en haar eindexamen maar volgend jaar doen?

Groep 8’ers maken zich zorgen over hun niveau, want door uitval van de leerkracht zitten ze dan plotseling weer thuis en loopt het afstandsonderwijs niet zo gesmeerd meer, als tijdens de intelligente lockdown. Gaan de open dagen op de middelbare scholen wel door? Hun eindmusical? Schoolkamp? En hoe lang gaat de pandemie duren? Kunnen ze ooit weer normaal met opa en oma omgaan? Wordt het Sinterklaas zonder familie, in een gedeeltelijke lockdown? En hoe gaat dat met Kerstmis en Oud en Nieuw. Hun verjaardag? Wordt het leven ooit weer normaal?

Hoe zit het met de mama met ‘onderliggend lijden’ die zich zoveel mogelijk in haar slaapkamer moet afzonderen? En met de papa die het huis heeft moeten verlaten omdat hij tot een risicogroep behoort en ze alleen van afstand, buiten, kan zien? En dan zijn er de samengestelde gezinnen die onder spanning leven omdat het ‘andere gezin’ het niet zo nauw neemt met de regeltjes. Sommige kinderen komen klem te zitten in onderlinge ruzies en spanningen, die de botsende levensstijlen met zich meebrengen. Hoe gaat het met het kind van die alleenstaande moeder die als ZZP’er werkt en nu al voor de derde keer door haar kind werd aangestoken met een corona-achtige ziekte? Zij moet in afwachting van een test thuis blijven en weet niet meer hoe ze haar rekeningen kan betalen. En omdat de kinderen ineens weer, van de ene op de andere dag, dagenlang thuis kunnen komen te zitten, wordt het ook moeilijk met het aannemen van nieuwe opdrachten. Sport wordt opgezegd, in de uitgaven moet worden geschrapt. Het wringt en het schuurt overal. En de kinderen van horeca-ondernemers maken zich al langere tijd zorgen dat het gezin met faillissement en langdurige financiële sores te maken zal krijgen. En dan zijn er nog de kinderen met ouders in de cultuursector of de evenementenbranche, die intussen niet meer weten hoe ze de eindjes aan elkaar moeten knopen.

School is belangrijk voor kinderen. School is belangrijk voor de ouders. School is belangrijk voor de economie. School is belangrijk, punt. Maar er is meer dan school en dat lijken we wel heel makkelijk te vergeten. Het welzijn van kinderen hangt van meer af, dan van alleen leren en het sociale leven in een schoolgebouw. Ook, of juist buiten die muren, leren kinderen over het leven. Bouwen ze relaties op met anderen en verruimen ze hun horizon in contacten met andere generaties. De wereld gaat niet aan ze voorbij. Zullen we ook hun andere zorgen en verdriet serieus nemen? Kunnen we oog hebben voor hun gehele welzijn, zonder alles aan fysieke aanwezigheid in een schoolgebouw op te hangen? Kunnen wij volwassenen ophouden voor kinderen te beslissen dat voor hen enkel naar school gaan zonder maatregelen er tijdens deze pandemie toe doet? Wat voor kinderen belangrijk is, is een compleet bestaan, mèt school, maar ook met gezonde ouders, ouders met werk en redelijke financiële draagkracht, sporten zonder restricties, shoppen, schoolreisjes, Sinterklaas en Kerst met familie, knuffelen met oma en vooral ook: de garantie dat hun gezondheid voor ons op nummer 1 staat.

De wetenschapper is vertrokken. De mens blijft.

Marino van Zelst, promovendus organisatiewetenschappen aan Tilburg University, analyseert al een aantal maanden de dagelijkse coronacijfers. Harde data, zoveel mogelijk objectief, maar toch ook voor interpretatie vatbaar. Zijn belangrijkste les tijdens de coronacrisis: “De wetenschappelijke methode is objectief, maar de mens die de methode gebruikt is dat niet. Het is beter om daar open en eerlijk over te zijn, dan het nastreven van het onmogelijke doel om objectief te zijn.”

Half mei bel ik met een vriend over het nieuwe testbeleid en het bron- en contactonderzoek dat vanaf 1 juni van start gaat. We spreken hardop uit dat we er niet volledig van overtuigd zijn dat het beloofde beleid goed uitgevoerd kan worden. Ik hang op en lees nog een keer een onderzoek over het leren van prestaties door organisaties. En ineens schiet me iets te binnen. Ik app mijn vriend. “Ik heb nog eens nagedacht over ons gesprek en dit wordt de enige voorspelling waar ik geld op in durf te zetten: het aantal besmettingen zal in juni sterk dalen. Aan het eind van juni wordt de BCO afgeschaald en vanaf 1 juli krijgen we nog meer vrijheid. Het aantal besmettingen loopt eind juli omhoog, waarna de BCO het niet meer aankan. En in augustus gaat iemand zeggen ‘dat het ze is overkomen’.” 

Op 23 juli publiceert Trouw een interview met Sjaak de Gouw, directeur van de GGD-GHOR Hollands Midden, waarin hij stelt: “We zijn verrast door deze uitbraak”. Mijn vriend stuurt me het artikel en belt: “Bijna perfect, alleen is het twee weken eerder begonnen dan je dacht. Hoe wist je dit nou?” Ik ben even stil en zeg: “Dit is wat ik onderzoek en doceer.”

’s Avonds zit ik thuis op de bank en ik beproef enige irritatie naar aanleiding van het artikel. Het kan toch niet waar zijn dat we eind juli de controle alweer verliezen? Het is niet de wetenschapper in mij die de irritatie voelt, maar de mens Marino. Die een burger is, die zich zorgen maakt over de gevolgen van corona voor de samenleving. Die een werknemer is die na augustus misschien geen baan meer heeft. Die een broer is en met grote regelmaat zijn broer spreekt die in de frontlinie staat te ‘knallen’ voor ons. Die een zoon is met ouders die in de risicocategorie vallen. Die een kleinzoon is en zijn laatste grootouder al zes maanden niet heeft gezien. Het gevoel is persoonlijk, maar de kennis wordt gedreven door wetenschap. 

Ik realiseer me opnieuw: de wetenschapper en de mens zijn lastig te scheiden. Uiteraard wist ik dit al wel: tijdens de opleiding hebben we uitgebreid gesproken over hoe ons wereldbeeld ons onderzoek beïnvloedt. Dat we ons bewust moeten zijn van onze waarden en normen omdat ze onze manier van onderwijs geven beïnvloeden. Ik heb geleerd dat een onderzoeker objectief moet zijn; op zoek naar de beste modellen van de realiteit, zonder persoonlijke voorkeuren. Ik heb als mens geleerd om een onderzoeker te zijn. Maar nu moet de onderzoeker leren accepteren dat hij ook een mens is. En dat voelt verkeerd.

Als ik het nieuws kijk wissel ik constant tussen de mens en de wetenschapper. Ik ben gefascineerd omdat ik alle theorieën die ik bestudeer tot leven zie komen in de besluitvorming rondom de coronacrisis. Gefascineerd omdat ik bestudeer waarom managers en beleidsmakers irrationele besluiten maken, aan de lopende band. We hebben de eerste golf meegemaakt, maar het bron- en contactonderzoek wordt toch afgeschaald, ondanks dat de kans hoog is dat het virus zal terugkomen. En toch zie ik beleidsmakers op tv uitleggen dat niemand had verwacht dat het virus zo snel zou terugkomen. Net zoals niemand in den Haag of bij de adviesorganen zich publiekelijk oprecht zorgen maakte over een nieuw virus in China: “Er is geen reden om je zorgen te maken.”

Terug naar begin april: iemand op Twitter vraagt me of ik die oversterfte analyses van het CBS begrijp en dat eens zou kunnen nalopen. Ik begin te rekenen en raak gefascineerd door de analyses, omdat het een objectieve manier is om de impact van corona uit te rekenen en de vergelijking tussen landen te maken. In mijn hoofd denk ik: dit lijkt een goede manier om de ‘prestaties’ van landen te vergelijken. Ik sluit me dagenlang op totdat ik ervan overtuigd ben dat ik begrijp wat ik doe. Ik publiceer een oversterfte analyse op Twitter en nu wordt gevraagd of ik dit elke week kan doen. De wekelijkse analyses worden opgepikt door journalisten en in de tussentijd blijf ik zelf lezen over de coronacrisis. Over ons beleid. Het beleid in andere landen. Ik blijf geduldig de analyses uitleggen aan burgers die zoeken naar informatie. De onzin die soms onder mijn draadjes wordt gepost, door ontkenners of ‘grieproepers’, blijf ik geduldig pareren. De data die het RIVM en het CBS leveren stellen me in staat om dagelijks zelf op de hoogte te blijven en andere mensen te informeren over de gevolgen van het virus.

Eind juni kondigt het RIVM ineens aan dat ze stoppen met de dagelijkse updates. Ik begin code te schrijven om de dagelijkse cijfers zelf te kunnen volgen. Ik plaats het op Twitter en merk dat veel mensen de behoefte hebben om deze informatie te weten. Meer data en meer code volgt. Aantal positieve tests, grafieken van het aantal ziekenhuisopnames, een dagelijkse rapportage. De updates groeien langzaam uit de hand. Ik begin ook steeds vaker actief te tweeten over onderzoek, over beleid, mijn perspectief op de cijfers. In de weken die volgen bouw ik samen met Edwin Veldhuizen ‘de dagelijkse update’ en ons aantal volgers blijft groeien. Ik krijg steeds vaker berichten van bezorgde mensen die vragen wat ik van de cijfers vind. Eind juli word ik lid van het Red Team, een groep constructief-kritische mensen die vanuit hun eigen expertise een interessante blik hebben op het beleid.

Het is, als wetenschapper, een heerlijke ervaring om een groep gelijkgestemde mensen te vinden met wie je kunt sparren over ideeën. Samen proberen we de situatie te begrijpen, onze zorgen en vragen te formuleren over het huidige beleid en die delen we openlijk op Twitter, in de media, en richting de beleidsmakers. Mijn rol als ‘de datanerd’ groeit en ik verzamel steeds meer cijfers. Aan de ene kant om uit te leggen wat er gebeurt aan iedereen die mij volgt op Twitter, aan de andere kant om de inhoudelijke discussies te voeden die we met elkaar hebben. Ik word uitgenodigd om op radio en televisie de cijfers toe te lichten. Ik koers steevast aan op een inhoudelijk vertrekpunt: het gaat om het systeem, niet om de individuele verhalen. En tegelijkertijd sturen mensen me hun persoonlijke verhalen in de DM, in een email, en zie ik ze op televisie. Van echte mensen die geraakt worden door corona en van echte mensen die geraakt worden door het beleid. Maar ik dwing mezelf om te focussen op de feiten en het systeem.

Sommige dagen lukt het me niet meer. Er wordt gedraaid. Wetenschap, de politieke realiteit, en de echte wereld lijken soms losgezongen van elkaar. Ik lees over adviezen rondom mondkapjes in de ouderenzorg die niet aanbevolen worden want ‘er is geen sluitend bewijs’. Onze Duitse vrienden in Nordrhein-Westfalen gebruiken ze vanaf maart en ze hebben na zes maanden nog steeds geen noemenswaardige oversterfte gehad. Ik schrijf op Twitter een paar gewogen en genuanceerde tweets hierover. Ondertussen kook ik van binnen. Maar ik schrijf zonder emotie in de tweets hoeveel oversterfte er is, enige uitleg over de methode, en wat interpretatie. Ik schrijf niet over de verpleeghuisdoden. De risicogroepen die zich al maanden isoleren omdat ze geen onderdeel willen worden van de oversterfte statistieken. De verpleegkundige die in drie maanden tijd 50 mensen eenzaam heeft zien sterven: genoeg oversterfte voor de rest van je leven. Ik blijf genuanceerd, want ik ben een wetenschapper. Maar vlak nadat ik mijn draadje heb gepost schiet me een gedachte te binnen: Fuck de nuance. Ik zie de beelden van de volle IC’s en de lege verpleeghuizen aan de binnenkant van mijn ogen en ik huil. De wetenschapper is vertrokken en de mens blijft achter. 

Fuck de nuance. En toch: de ratio komt weer snel naar boven drijven. Ik moet genuanceerd blijven. Moet. Genuanceerd. Blijven. De behoefte aan objectieve informatie die ik zelf ervaar is te groot. Van mijn trouwe volgers krijg ik regelmatig een berichtje dat ze blij zijn met het constante uitleggen van ‘de cijfertjes’. Ik verschuil me ook graag achter de wetenschap: het is makkelijker om de objectieve bril op te zetten en kil naar de cijfers te staren.

Half september is er een uitzending in Nieuwsuur over moeders in de risicogroep die een haast onmogelijke afweging moeten maken: stuur ik mijn dochter naar school met het risico dat ze corona oploopt en mij mogelijk besmet of vermijd ik het risico door ze maandenlang thuis te houden? De verslaggever ter plaatse vraagt aan de kleine Oriana (6) of ze het zou kunnen opgeven om haar moeder niet meer te knuffelen. Glimlachend kijkt ze haar moeder aan en zegt “nee, omdat ik teveel van haar hou.” Ik breek opnieuw. Diezelfde avond denk ik terug aan de gesprekken en colleges over ethiek en integriteit. Over waardenvrij onderzoek doen. De eindeloze missie om de feiten op tafel te krijgen en objectief een oordeel te vormen. Maar ik sta stil bij de belangrijkste les die ik toen al geleerd heb: de wetenschappelijke methode is objectief, maar de mens die de methode gebruikt is dat niet. Het is beter om daar open en eerlijk over te zijn dan het nastreven van het onmogelijke doel om objectief te zijn.

Verslagen blijf ik achter. Moet ik definitief opgeven dat ik niet compleet objectief kan zijn? Nee. Maar ik moet er wel eerlijk over zijn. En dus zet ik alle data die ik gebruik openlijk online voor iedereen. Alle code die ik gebruik kan door andere mensen nagekeken worden. Ik wik en weeg argumenten om een positie te kiezen. Mensen, waar ik het hartgrondig mee oneens ben, blijf ik helpen met het verzamelen van ‘de cijfers’. En ik stel mezelf kwetsbaar op, door dit dilemma openlijk te delen. Maar in mijn hoofd hoor ik de kleine Oriana nog een keer zeggen: “omdat ik teveel van haar hou”. Na een half jaar strijd in mijn hoofd leer ik eindelijk te accepteren: De wetenschapper is niet vertrokken, maar de wetenschapper is een mens.

Marino van Zelst
Volg Marino op Twitter

Corona is vooral heel ongezellig

Gisteren werd mijn oudste dochter 11 jaar. Net als vele andere moeders, zijn de verjaardagen van mijn kinderen ook momenten dat ik nog terugdenk aan de bevalling. Voordat je bevalt, vertellen andere vrouwen je geruststellend dat je de pijn ‘zo vergeten bent’. Dat ligt dan misschien aan de pijn, want ik ben het niet vergeten. Het was een dramatisch gebeuren. Ik werd ingeleid. Een gel werd op mijn baarmoedermond gesmeerd, waarmee de bevalling werd opgewekt. Ik voelde dat mijn lichaam er niet goed op reageerde. ‘Onzin,’ zei de co-assistente die me bijstond. Mijn kind lag in een stuit en het was maar de vraag of ze er wel via het geboortekanaal uit zou kunnen. Toch gingen we het proberen. En natuurlijk was ik zenuwachtig. Reden genoeg om aan te nemen dat het gewoon de zenuwen waren, opgeteld bij het voor mij onbekende gevoel van bevallen.

Verhaal in versnelling: er volgde smeerbeurt na smeerbeurt en mijn baarmoedermond brandde, trok, gaf me vreselijke krampen, maar ging niet open. Na 12 lange uren van hevige pijn, constateerde de co-assistente dat ik dan ineens op 9 van de 10 centimeter ontsluiting zat. Voor mij voelde het niet zo. Toch moest ik doorzetten, terwijl ik het gevoel had dat mijn baarmoeder ieder moment kon exploderen. Ik hield me groot, maar hoe groter ik me hield, hoe minder er gebeurde.

Na 12 uren zeuren, smeken en pleiten mocht ik dan eindelijk wat pijnstelling. Maar het hielp geen donder. Ten einde raad, zette ik het op een schreeuwen. Dat viel niet in goede aarde. Ik werd niet gecontroleerd op lichamelijke problemen, maar terechtgewezen op mijn aanstellerij. Omdat ik echt niet meer wilde stoppen met schreeuwen, werd de gynaecoloog er da toch bijgehaald. Mijn vermoeden bevestigd: ik had nog geen beetje ontsluiting. Mijn bed werd naar de OK gerend en mijn dochter werd korte tijd later met een keizersnede gehaald.

Pas om elf uur ’s avonds vond ik de rust om mijn eerste kind uitgebreid te inspecteren. Gejoel en geschreeuw ergens verderop in het ziekenhuis. Het ging door merg en been. Het kwam me bekend voor. Het typische Afrikaanse gehuil als iemand overlijdt. De verpleegkundige kwam het uitleggen. De beveiliging zou ingrijpen. Niets om me zorgen over te maken, maar ergerlijk was het zeker, in haar ogen. Ze gebruikte woorden als ‘dramatisch gedoe’, ‘overlast’, ‘overdreven’ en ‘belachelijk’.

Ik probeerde de verpleegkundige uit te leggen dat sommige volkeren dat doen om de overledene te behoeden voor boze geesten of slechte krachten in de reis naar het hiernamaals, of uit respect voor de nabestaanden, of om de rouw op gang te brengen door gevoelens juist niet op te sluiten, maar eruit te schreeuwen. Wat hier precies aan de hand was kon ik door deuren en wanden natuurlijk niet inschatten, maar een functie heeft het altijd. Het was aan de verpleegkundige niet besteed. Rouwen doe je in alle rust en stilte. En boze geesten en kwade krachten bestaan niet.

Tijdens mijn zwangerschap verbleef ik voor mijn werk in Sierra Leone. Omdat ik ‘veilig’ wilde bevallen was ik teruggekomen naar Nederland. Eenmaal terug in Sierra Leone, deed mijn gynaecoloog daar de nacontroles. Hij stond perplex. Ik had een ingegroeide placenta, dat stond ook in het dossier dat ik meenam naar Nederland. Ik had nooit op de natuurlijke manier kunnen bevallen. Het risico was onaanvaardbaar. Hij vond het een ‘goedkope’ manier om onder een veel duurdere keizersnede uit te komen. En dat ik dat zovele uren zonder pijnstilling had moeten doorstaan, vond hij onmenselijk. Dat vond ik tijdens het bevallen zelf ook, maar ik heb het niet durven zeggen. Ik verbeet me, hield me flink, zoals je dat in Nederland hoort te doen. Het had me mijn leven kunnen kosten. En toch heb ik me dat lange tijd niet gerealiseerd. Ik was de afgelopen jaren, iedere verjaardag weer, vooral trots op mijn ‘flinkheid’.

Ziekte is cultureel

Wat heeft zo’n persoonlijk bevallingsverhaal met corona te maken? Ogenschijnlijk niets, en tegelijkertijd zegt het alles over hoe we met gezondheid, pijn en sterven omgaan. Hoe we tegen die zaken aankijken, staat niet gegoten in ijzeren natuurwetten. We benaderen het vooral vanuit een sociaal en cultureel perspectief. Daar heb ik in Sierra Leone ook andere ervaringen mee opgedaan.

Doorlopen met ziekte vinden ze daar helemaal niet ‘stoer’ of ‘flink’, maar oliedom en onverantwoordelijk. Toen ik eens met een verkoudheid aan het werk wilde gaan, werd ik vrij resoluut terug naar huis gestuurd. Had ik door dat ik anderen kon besmetten? Ik geef toe, nee, dat had ik niet echt door. Ik keek vooral naar mezelf. Ik voelde me niet heel slecht en ik had werk te doen. Ik vond de reacties overdreven.

Ik leefde toen al een tijdje onder de allerarmsten. Ik had het idee dat ik me goed in hen kon verplaatsen. Maar hoewel ik leefde van een klein budget, kon ik me gezondheidszorg veroorloven. En een paar dagen ziek thuisblijven lukte ook. Dat dat voor andere mensen een ondenkbare luxe was, zag ik niet. Het ging mij om mijn eigen gezondheid en die kon wel een verkoudheidje hebben. Dat ik een lange keten van besmettingen op gang bracht die uiteindelijk zou eindigen bij iemand die er ernstige complicaties van kan krijgen, ik was er blind voor. Het ongemak van dagenlang ‘gezond’ thuiszitten woog voor mij zo zwaar, dat ik helemaal niet aan andere mensen dacht.

Een problematische kijk op ziekte en gezondheid

Velen, zo niet een meerderheid van de Nederlanders, zullen zich in mijn verhaal herkennen. Een griepje houdt ons niet zo makkelijk thuis. Dat zit diep in onze cultuur verweven. Niet alleen bij de bevolking. Ook bij de gezondheidsinstituten en de overheid zitten die denkbeelden ingebakken. En daarom zijn uitgerekend wij extra vatbaar voor een virus als corona.

Toen corona net nieuw was in Nederland, veroorzaakte het een nog onbekende ziekte. Hoewel. Onbekend? Niet helemaal. Het ziektebeeld lijkt voor de meeste mensen op dat van een stevige verkoudheid of een griep. Zo werd het nieuwe virus door het RIVM dan ook aan Nederland gepresenteerd. Een ander type griep, waar de bevolking nog weerstand tegen op moest bouwen. Steeds klonk de boodschap; ‘het treft vooral ouderen’. Voor velen onder de jongere generaties was dat een geruststellende gedachte. De ouderen moesten zich maar beschermen, terwijl de jongere generaties gewoon door konden leven. En in Nederland leek dat ook mogelijk, omdat wij met name in kleinere gezinsverbanden met elkaar samenleven. Opa en oma hebben hun eigen woning, of zitten in een verzorgingshuis.

Toch bleek de werkelijkheid complexer. Terwijl de Intensive Cares in Italië overspoeld raakten met corona patiënten en Italiaanse artsen Europa waarschuwden voor de impact van het virus, was er in Nederland geen gevoel van urgentie. Als we allemaal hygiënemaatregelen in acht zouden nemen, en voorlopig even geen handen zouden schudden, zou corona niet zo’n vat op ons krijgen. En zo kon corona zich ongemerkt al onder een groot deel van de bevolking in Noord-Brabant verspreiden.

Veel mensen raakten besmet omdat we het in Nederland ‘normaal’ vinden om gewoon naar buiten te gaan met verkoudheidsklachten of griepverschijnselen. En blijkbaar vinden we het ook normaal om in besmettelijke toestand dichtbij anderen te komen, waar we het aan doorgeven en die het op hun beurt weer doorgeven aan anderen. De anderhalvemeterregel trad in werking: ziek of gezond, alle mensen die geen huishouden met elkaar vormden, moesten zeker anderhalve meter bij elkaar uit de buurt blijven. Want hoewel het lijkt dat je het meest besmettelijk bent als je veel symptomen hebt, kan je toch al voordat je daadwerkelijk ziek wordt een ander mens besmetten.

Het was allemaal niet genoeg. De overheid riep de bevolking op 11 maart op om thuis te blijven bij klachten. Maar in een uitzonderlijke toespraak aan het volk bracht de Minister-President de verwarrende en tegenstrijdige boodschap dat Nederland immuun moest worden. Met een beschermend muurtje om de ouderen en de kwetsbaren heen, moest dan overbelasting van de Intensive Cares worden voorkomen. Nog geen week later belandden we met z’n allen in een ‘intelligente lockdown’. Wie niet per se het huis hoefde te verlaten, moest zoveel mogelijk binnenblijven. Zorgpersoneel, brandweer, politie en medewerkers van het openbaar vervoer moesten met milde klachten door blijven werken. Zonder middelen om andere mensen tegen besmetting te beschermen, ook al kwamen zij in contact met die ouderen en mensen met een kwetsbare gezondheid.

Dat het in Nederland van maart tot en met juni duurde om corona weer enigszins onder controle te krijgen en dat het sociaalmaatschappelijke leven over het hele land nagenoeg stilgelegd moest worden, spreekt boekdelen. Vier maanden zoveel mogelijk thuisblijven om een ziekte met een gemiddelde incubatieduur van 5 dagen terug te dringen. Dat waren niet de besmettingen van het eerste uur die er lang over deden om symptomatisch te worden en een ziektebeeld te veroorzaken.

Mensen bleven te dicht bij elkaar in de buurt komen. Soms om elkaar te verzorgen bij ziekte, elkaar te troosten bij lijden, soms omdat er geen andere keuze was, bijvoorbeeld in de zorg. Maar toch ook, omdat veel mensen nog altijd ‘schijt aan corona‘ hadden. Hun ‘goed recht’, vonden zij. Het voelt tegen-intuïtief om een gezond lichaam te isoleren. Als het eigen lichaam ‘gezond’ voelt, naar de eigen maatstaven, mogen we kennelijk doen wat ons goeddunkt. Dat we met een besmettelijk virus in ons midden afhankelijk van en verantwoordelijk voor elkaar zijn, is abstract en ver weg. Eigen verantwoordelijkheid. We beslissen zelf over ons lot en schatten onze eigen risico’s in. Dat veel roekeloze mensen daarmee de hele samenleving gegijzeld hielden, leek totaal aan hen voorbij te gaan.

Gezondheid en vrijheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden

Nu Nederland weer ‘van het slot’ is en we helemaal zelf verantwoordelijk zijn voor ons gedrag, blijkt uit gedragsonderzoeken van het RIVM keer op keer dat we nog altijd niet terugdeinzen voor sociaal contact. Slechts 10% van de mensen met klachten blijft daadwerkelijk thuis in quarantaine. Ongetwijfeld zijn daar soms dringende redenen voor te bedenken, zoals de essentiële boodschappen of mantelzorg. Maar bijna de helft van de mensen met klachten blijft doorwerken en gaat nog naar de horeca en ruim 70% gaat nog bij familie en vrienden op bezoek.


Bron: RIVM

Hoe komt het dat Nederlanders zo weinig urgentiebesef hebben, terwijl er een pandemie over de wereld raast? En welke denkbeelden liggen aan deze houding ten grondslag? Een RIVM onderzoek uit 2011 geeft een kijkje in het gezondheidsgedrag van de Nederlander.

Uit dit onderzoek blijkt vooral dat gezondheid voor Nederlanders vooral betekent dat je je gezond voelt, niet zozeer dat je gezond bent.



‘Het interne aspect van gezondheid betreft de belevingskant, het ‘goede gevoel’. Het gaat erom dat je tegen jezelf kunt zeggen ‘ik voel me gezond’ en dat kan ook als je een (chronische) ziekte onder de leden hebt. Dat gezonde gevoel bereik je gemakkelijker als je je fit voelt, uitgeslapen bent, als je genoeg energie hebt en als je je geestelijk goed voelt (bijvoorbeeld ‘rust in je hoofd’). Als al deze wijzertjes de goede kant op staan. dan zit je lekker in je vel, dan ‘kan je de wereld aan’, zoals iemand zei. Eveneens geldt voor beide begrippen dat de toestand die als ‘gezond’ wordt omschreven van meer afhankelijk is dan van gezondheid in engere zin. De onafhankelijkheid en vrijheid die bij het externe gezondheidsbegrip hoort, wordt ook bepaald door persoonlijke en sociale omstandigheden. Dat zie je ook bij het interne gezondheidsbegrip. Daar waar het ‘gezonde gevoel’ over gaat in ‘lekker in je vel’ en ‘welbevinden’ zien we een vergelijkbare verbreding naar een gewaarwording waar eveneens tal van persoonlijke en sociale omstandigheden een rol spelen.’

Het gaat Nederlanders in hun gedrag dus vooral om de beleving van gezondheid. Een goed gevoel hebben en de dingen kunnen doen je die je wilt doen. Een kwestie van ‘mentaliteit en instelling’: “‘niet bij de pakken neerzitten en kijken wat je nog wel kunt’.” Ongezondheid zijn betekent dat je niet kunt doen wat je wilt doen. ‘Geen vrijheid, geen energie maar isolement en afhankelijkheid.’ Dat is het gevoel wat de maatregelen tegen de verspreiding van corona bij veel mensen oproepen. Liever met klachten naar buiten, dan voel je je gezond, dan met klachten thuis, dan voel je je ongezond.

Opvallend is ook dat veel Nederlanders hun gezondheid eerder zien als een ‘accu die je af en toe moet opladen’ dan een ‘generator, iets waarin je investeert’. Corona werkt als een schakelaar die ‘elk moment kan omklappen’ en veel onrust met zich meebrengt. Volgens dit RIVM onderzoek veroorzaakt zo’n schakelaar onrust die het moeilijk om je gezond te voelen.

Investeren in gezondheid door middel van preventie, voorkomen dat je ziek wordt, is voor veel Nederlanders geen overheersende factor. ‘Iets voor je gezondheid doen, is vaak iets doen voor het lekkere gevoel. En dat doe je met sporten, met een strandwandeling, door veel water te drinken of door voldoende te slapen. … Veel mensen die met gezond gedrag bezig zijn, doen dat omdat het min of meer moet.’

Corona is vooral ongezellig

Soms horen we verhalen van mensen die ondanks klachten door hun werkgever onder druk gezet worden om te komen werken. Maar van besmettingen via de werkplek horen we weinig. En misschien is het wel tekenend dat net iets meer mensen met klachten nog wel naar horecagelegenheden gaan en veel mensen nog familie en vrienden blijven bezoeken. We zoeken blijkbaar vooral gezelligheid. Ook als we klachten hebben.

In bovengenoemd onderzoek wordt aangehaald dat het blijkbaar zo is dat ‘gezellig zijn en gezond leven moeilijk samengaan en dat je druk vanuit je omgeving voelt als je niet mee wilt doen en voor een gezonde leefstijl wilt kiezen’. De ‘aanzuigende kracht van gezelligheid (bijvoorbeeld op feestjes, maar ook op de werkplek)’ is iets ‘waar je je moeilijk aan kunt onttrekken’. Mensen willen zich als ‘individu niet op een zogenaamd ongezellige manier afzijdig houden’.

Besmettingen vooral ‘in de privésfeer’

Dat ‘gezelligheid’ misschien wel een van de grote bottlenecks is in de bestrijding van corona, valt misschien op te maken uit het bron- en contactonderzoek. Sinds de versoepelingen van 1 juli blijkt Nederlanders vooral besmet raken in de privésfeer: bij familiebijeenkomsten, bruiloften, verjaardagsfeestjes, buurtborrels en recent ook in de horeca. Terwijl men in buurland België vooral besmet raakt op school en werk.

Het bron- en contactonderzoek is in beide landen nog verre van effectief en met name clusters worden gevonden, waardoor het beeld op de keten van besmettingen nog incompleet is. Toch is het verschil tussen de landen veelzeggend. Waar Nederland sinds 1 juli vooral inzet op de terugkeer naar een ‘normaal leven’ zonder al te veel beperkingen en een herstel van sociale contacten, leven onze zuiderburen in sociale bubbels. Per gezin mogen de gezinsleden met maximaal 5 andere personen buiten het eigen gezin samen in een ‘bubbel’ zitten. Afstandsregels gelden dan niet.

Hoewel het in de praktijk niet altijd even goed werkt, lijkt het wel effect te hebben op het verantwoordelijkheidsgevoel. Als je buiten die bubbel onvoorzichtig bent, lopen de mensen binnen je bubbel het risico via jou besmet te raken. Dat maakt je direct verantwoordelijk voor de gezondheid en de levens van je bubbelgenoten. En dat is een inzicht dat in Nederland mist. Bij ons is een besmetting met corona vooral ‘individueel’. En helaas blijkt, in vele gevallen ook een ‘keuze’.

Ondanks een pandemie met verstrekkende consequenties blijft voor de meeste Nederlanders blijkbaar gelden dat je gezond voelen boven gezond zijn staat en dat we de dingen kunnen blijven doen die we willen doen. Dat we onafhankelijk en vrij willen zijn. Dat we dat boven het beschermen van onze eigen gezondheid en dat van anderen stellen. Dat zou geen probleem zijn, als we met onze (on)gezondheid niet direct of indirect verbonden zouden zijn aan 17 miljoen andere Nederlanders. Nederlanders die stuk voor stuk, bij grondwet, een recht hebben op lichamelijke integriteit. Als je onvoorzichtig bent en ik kan bewijzen dat ik enkel via jou besmet heb kunnen raken, dan zou ik je aansprakelijk kunnen stellen voor het verlies van mijn gezondheid. Dat is in juridisch opzicht natuurlijk schier onmogelijk, maar dat pleit ons in moreel opzicht niet vrij.

Wie neemt verantwoordelijkheid?

Dat we met een besmettelijke ziekte in ons midden direct verantwoordelijk zijn voor de mensen om ons heen en dat onze besmetting bij roekeloos gedrag op een dag onvermijdelijk terechtkomt bij iemand die het niet zal overleven, of er onherstelbare gezondheidsschade van oploopt, is een boodschap die onze overheid blijkbaar niet onomwonden durft te brengen. De grote meerderheid van de bevolking lijkt er niet van doordrongen. Helaas geldt datzelfde voor onze politici en wetenschappers betrokken bij het outbreak management.

Toen Nederland aan het hamsteren sloeg, wist onze Minister-President precies op welke knoppen hij moest drukken om dat gedrag linea recta te stoppen. Rutte was hard en onomwonden. Het was asociaal gedrag. Die boodschap kwam zo luid en duidelijk aan dat zelfs de niet-hamsteraars onder ons nauwelijks nog toiletpapier durfden te kopen. Als het om verantwoordelijk gedrag omtrent de volksgezondheid, zijn de boodschappen en maatregelen vele malen minder duidelijk. Het is allemaal ‘mondjesmaat’. Eigen verantwoordelijkheid. Dus hanteren we onze eigen maatstaven. Pijn verbijten we. We zijn flink. We durven anderen niet aan te spreken op hun gedrag. We komen niet op voor onze eigen gezondheid. We willen vooral niet ongezellig zijn. We slepen elkaar mee in onverantwoordelijk gedrag. Corona is en blijft een ‘griepje’. Voor de meesten.

Mijn dochter is nu elf jaar oud. Als verjaarscadeau geef ik haar een stukje ‘gezondheid’. Ik vertel haar mijn bevallingsverhaal. Omdat het mooi is om te delen, maar vooral om haar te leren dat ze haar eigen (pijn)grens nooit moet verleggen vanwege sociale druk. Het kan je zomaar je leven kosten. Of in het geval van een virus: het leven van een ander. Gezondheid is iets waar je in moet investeren. Zonder gezondheid geen leven. En hoe vrij voel je je eigenlijk, als je weet dat je een ander met een dodelijke ziekte opzadelt? Ziekte is niet ‘gezellig’. Nooit. En wie weet, misschien kunnen we de jongere generaties leren een gezonde kijk op gezondheid te ontwikkelen. Daar lijkt me een pandemie een mooi moment voor.

Uitgesteld gevoel

Nienke Ipenburg (37) is verpleegkundig specialist in Rotterdam. Tijdens de eerste coronagolf werd ze bij haar werk in de huisartsenpraktijk geconfronteerd met de onvoorspelhaarheid van de ziekte die volgt op besmetting met corona. Nu de besmettingen in Rotterdam weer oplopen, komen herinneringen naar boven en zet ze zich schrap voor een tweede golf aan coronapatiënten.

De doktersassistente roept. In een waas hoor ik haar zeggen dat ze er al aankomen. Het gaat niet meer, hij is zo vreselijk benauwd. Zijn vriendin belt vanuit de auto. Hij heeft corona. Twee dagen geleden positief getest, maar hij heeft al meer dan een week klachten. Ik tel de dagen na: dit moet dag 8 zijn. Alarmbellen gaan af in mijn hoofd. Ik voel iets misselijkmakends opkomen in mijn lijf. Niet weer! 

Februari, maart en zelfs nog april waren duizelingwekkend. Een onbekende ziekte raasde als een wervelwind door de huisartsenpraktijk. We zagen ècht zieke mensen op de praktijk. Sommigen moesten we doorsturen naar het ziekenhuis. Anderen konden thuis uitzieken. De telefoon ging non-stop. Vragen. Zorgen. Angsten. Onmacht. En onvermijdelijk veel tranen. Sommige patiënten zagen we nooit meer terug. Sommige collega’s werden zelf die patiënt. Gebrek aan kennis. Gebrek aan beschermingsmiddelen. Ik herinner me de dagen dat ik huilend van mijn werk kwam.
 

In mei, juni en juli keerde het tij. We raakten gewend aan de nieuwe situatie. De aanhoudende klachten na een coronabesmetting, maar ook de soms diepe, gitzwarte rouw van verlies in alle facetten. Raakten we eraan gewend? Niet echt. Het went eigenlijk nooit. 

Routinematig help ik de nog wachtende patiënt. Maart raast door mijn hoofd. Geen tijd voor, niet nu. De rest van het spreekuur wordt afgebeld. De praktijk gaat dicht. Snel maken we de corona spreekkamer op orde. Heb ik alles bij de hand? Ik pak de beschermende kleding. Ik zie de blik van de doktersassistente. Geruststellend, kalmerend. Ze staat klaar en knikt bemoedigend. Voor haar veiligheid blijft ze op de achtergrond. Ze staat altijd klaar om bij te springen. Ze is mijn veilige haven, ondanks haar eigen verlies. Of is het juist dankzij dat verlies? 

Weer dat gevoel. Ik haal diep adem en kleed me aan. Geklop op de deur. Ze zijn gearriveerd. ‘Gelukkig, hij loopt nog,’ schiet door mijn hoofd. Ik kijk beter en zie hoe hij ondersteund moet worden. Zijn ogen staan vermoeid, de twinkeling is weg. 

Ik sluit een metertje aan om zijn zuurstof te meten, terwijl ik naar zijn ademhaling luister. Niet eens zo snel, wel oppervlakkig en zwak. Het getalletje verschijnt in beeld. 80%. Ik hou nu mijn adem in, wacht nog even af en kijk gespannen naar het beeld. Voor mijn gevoel minutenlang. Langzaam loopt het getal op. 88%. Nog steeds niet goed, maar toch. Ik luister naar zijn longen. Corona doet zijn dans door de kleinste vaatjes. Maar wat ik hoor, heeft nauwelijks iets met muziek te maken. Het piept en het kraakt net zo hard als het overbelaste, niet zorgende zorgstelsel. Zonder fundament, met af en toe een ijzingwekkende stilte. 

Ik kijk op en zie de tranen in de ogen van zijn vriendin. “We zijn maar één keer wezen winkelen,” zegt ze zacht. De GGD denkt dat hij daar de besmetting heeft opgelopen. Weer dat vreemde gevoel. Weer druk ik het weg. Eerst zorgen, de rest komt later. Gelukkig komt de ambulance heel snel. Het ziekenhuis is op de hoogte. Hij is in goede handen. 

Het liefst wil ik mijn masker meteen afrukken. Ik kijk naar de chaos in de kamer. Ik voel de chaos in mijn hoofd. Eerst schoonmaken en volgens protocol uitkleden.Thuis kan ik eindelijk mijn dikste masker afzetten; een beschermlaag die dieper gaat dan FFP2. Zachtjes huil ik en vraag me af, is dit nu wat ze bedoelen als ze zeggen: de zorg is er nog niet klaar voor? 

Nienke Ipenburg
Volg Nienke op Twitter

Corona knaagt aan het geweten


De coronapandemie knaagt aan alle uithoeken van mijn brein. Het vreet zich een weg door mijn hart, waar gevoelens door rationele argumenten doorboord worden. Corona splijt mijn brein, vindt zich een weg naar buiten door mijn oogkassen waar het tegen het schild van de wetenschappelijke bril opknalt, om daar met de klinische blik onschadelijker gemaakt te worden dan het eigenlijk is.

Ik wik en weeg, theorie boven emotie. Ik laat me zorgvuldig uit. Niet alarmistisch zijn. Niet te pessimistisch zijn. Hou het wetenschappelijk. Hou afstand. De ironie. Niemand die in een crisis leeft, kan beweren dat het hem onbewogen laat. De mens overheerst de wetenschapper. Hoe we met een wetenschappelijke bril naar een crisis kijken, is ingegeven door onze menselijke normen en waarden. Geen mens kan zich losmaken van zijn eigen kaders. En dat is wat een goede wetenschapper kenschetst, als je het mij vraagt. Weten vanuit welke overtuiging je kennis vergaart. Waar zit je blinde vlek? Wat zijn je vaste overtuigingen? Hoe beïnvloedt dit je denken en de beslissingen die je neemt? Hoeveel moeite doe je om je hypothese te falsificeren? En wees daar open over. Verantwoord waar je ‘kennis’ vandaan komt. Vooruit.

Als antropoloog vind ik de complotdenkers, de ‘vrijheidspropagandisten’ en de viruswaarheid-fanaten mateloos interessant. Dit is niet mijn eerste crisis. En dit zijn niet de eerste ‘complotdenkers’ waar ik me over buig. Tijdens de ebola-epidemie in Sierra Leone heb ik velen van hen gesproken, met ze samengewerkt en ik ben ze ook na de epidemie blijven volgen. Ik zie geen verschil tussen de Nederlandse coronavariant en de Sierra Leoonse ebolavariant. Uit ervaring weet ik: zij zijn het probleem. Door roekeloosheid en onachtzaamheid blijft zo’n virus verspreiden, dat is een open deur. Maar naast een direct gevaar, vormt hun indirecte invloed op de samenleving en de politiek een veel groter gevaar. Hun roep om vrijheid, hun geforceerde handelen, het heeft allemaal zijn uitwerking op beleid en ons denken. Ze zijn onze ‘fearless peers’: ze feesten, ze gaan tekeer, trekken zich van afstandsregels niets aan, ze leven, ze komen niet in het ziekenhuis terecht. We observeren, beoordelen het risico als ‘laag’ en imiteren. De beleidsmakers zien reden om soepeler met de regels om te gaan. Wat onzichtbaar blijft: dat velen van hen wel in ziekenhuizen, op de IC’s en op een sterfbed komen te liggen. Dat is de kant die onbelicht blijft.

Hoe moeilijk het ook is om dit te zeggen: een goed deel van de mensen die wordt getroffen door corona, heeft dat aan de eigen roekeloosheid te danken. En daarom horen we die verhalen niet. Het blijft verborgen. Hoe mensen dan toch met corona besmet zijn geraakt blijft in veel gevallen een mysterie. Als de GGD belt, worden die contactmomenten die uit roekeloosheid zijn ontstaan vaak verzwegen. Soms moet je lang en hard graven voordat je de waarheid op tafel krijgt. En soms lukt dat helemaal niet. Sommigen van hen hebben de dood van een dierbare op hun roekeloze conto moeten schrijven. Ze worstelen met die waarheid. Sommigen blijven dat ontkennen. Ik heb vele trauma’s zien ontstaan bij de ebola-ontkenners. Ik heb ze de afgelopen jaren gevolgd. Het blijft hun gewetens plagen. En zo heb ik mijn eerste Nederlandse coronaverhalen ook aan mogen horen. Er is geen verschil.

We zien in de coronapatiënt graag de volmaakte onschuld, overvallen door een ongrijpbaar en onzichtbaar virus. Maar dat beeld klopt niet met de werkelijkheid. Een coronapatiënt is óf slachtoffer van het eigen gedrag, óf van dat van een ander. Zolang we dat niet begrijpen, zullen we corona niet kunnen bestrijden. We blijven weifelen. Is dat virus nou zo gevaarlijk? Hoe kunnen we het tarten? Hoe kunnen we het te slim af zijn? Hoeveel risico kunnen we eigenlijk nemen? We verleggen de grenzen steeds een stapje verder richting de roekeloosheid. We willen terug naar normaal. We zijn niet bereid te accepteren dat we als samenleving uitdagingen en bedreigingen het hoofd moeten bieden. Samen. En dat we er als geheel weer uit moeten komen.

Als mens denk ik: De stomvervelende eindeloze discussies over ‘natuurgeweld’, ‘virussen zijn een manier van de natuur om met overbevolking af te rekenen’, het komt me mijn neus harder uit, dan een virusdeeltje dat ooit zou kunnen doen. Welk natuurgeweld? Corona is een stukje genetisch materiaal met een eiwitmantel eromheen. Op zichzelf weinig indrukwekkend en onschadelijk. Totdat het zich een weg vindt naar een gevoelige drager, waar het onherstelbare schade kan aanrichten tot de dood erop volgt. Van een dierlijk reservoir overgebracht op een mens, en daarna van mens – op mens – op mens – op mens, over de hele wereld verspreid. Omdat het virus onzichtbaar is, lijkt het ongrijpbaar. We lijken er weerloos tegen. Alsof het ons zomaar kan grijpen. Maar zo werkt het niet. Corona moet over kunnen ‘springen’, van mens op mens. Als geen potentiële drager dicht bij dat stukje virus in de buurt komt, of niet in een afgesloten ruimte met het virus samen rondwaart, kan het zich niet meer reproduceren en dan is het … einde aan dat stukje genetisch materiaal met een eiwitmantel eromheen. Zo eenvoudig is het.

Waarom lijkt het dan toch zo onmogelijk om dit schijnbaar ontzaglijke ‘natuurgeweld’ te bestrijden? Dat komt niet door het virus zelf. Het is geen natuurgeweld. Mensen brengen dit virus op elkaar over. De natuurlijke natuur komt daar verder niet meer aan te pas. Het is de menselijke natuur, of menselijk ‘geweld’, dat de bestrijding van dit virus moeilijk maakt. Hoe pijnlijk die boodschap ook is om te aanvaarden.

Dat zit me dwars. Dat dat maar niet tot ons door lijkt te willen dringen. We willen dat rotvirus niet. Het belemmert ons in onze bewegingsvrijheid. We willen kunnen gaan en staan waar we willen. We willen de risico’s zo nauwkeurig mogelijk inschatten. Tot welk uiterste van welk uiterste kunnen we gaan? Bij gebrek aan echte wetenschap vullen we de risico’s zelf maar in. Volkomen begrijpelijk, want dat doen de echte wetenschappers immers ook. Weten we het niet zeker? Dan levert het geen risico op. Althans. In Nederland. Er zijn ook landen die andersom redeneren. Hier tarten we liever het lot. Zolang Diederik Gommers niet met waterige ogen bij Op1 is komen vertellen dat de IC’s het niet meer redden, is het ‘alle seinen veilig’. Gommers, een hart van goud en een onwaarschijnlijk fijn vaderlijk figuur, is ons baken geworden waarop we koers uitzetten. Niet vreemd, want we zoeken toch ergens een houvast.

Niets ten nadele van Gommers. Hij is misschien wel hèt toonbeeld van empathie in deze crisis. Want bij andere prominente persoonlijkheden die aan de frontlinie staan, is het menselijk gevoel ver te zoeken. Onze eeuwig studentikoze Minister-President snakt naar de kroeg en houdt zich bezig met de voorraad toiletpapier die we er in onze huishoudens op nahouden, niet met de stervenden in de verpleeghuizen. Hugo de Jonge praat zo ontzettend veel dat je na twee zinnen al niet meer weet waar het over gaat en dat hoeft ook niet. Bij De Jonge moet je vooral tussen de regels door kunnen lezen; als De Jonge op televisie zijn zorgen uitspreekt, weet je dat er buiten beeld een versoepeling wordt doorgedrukt die even onethisch als onverantwoord is. En onze journalisten hebben maar een harde kluif aan de kritische noot. Geen paniek veroorzaken. Overheidsbeleid niet ondermijnen. De verantwoordelijkheid lijkt voor velen te zwaar om te dragen. En wij burgers? De ene helft is verlamd en de andere helft staat als een stel halfgare, stampvoetende peuters op het Malieveld om ‘vrijheid’ te dreinen. Willem Engel voorop, die het coronabeest met zijn opgeheven vuist en wilde manen als een soort moderne Samson in één woord onschadelijk maakt: “Onzin!”

Het bekt ook lekker: ‘Vrijheid’. Het is in onze samenleving het hoogste goed. We willen niets aan elkaar opofferen. We zijn individuen die zich door niemand laten belemmeren. We moeten leven. Nu. Volop. Het onderste uit de kan halen. Pluk de dag. Iedere godganse dag weer. Vrijheid. Ten koste van alles, en iedereen. Het is onderdeel van de holle tsjakka cultuur waar we ons door hebben laten inpakken. Gladde praat van zelfhulpgoeroes die ons wijsmaken dat we met positieve gedachten de meest ernstige rampspoed kunnen afwenden. Als we de negativiteit niet in ons brein toelaten, bestaat het niet. Het geheim van onze gedachtenkracht. We kunnen de wereld naar onze handen zetten. Corona mag geen spelbreker zijn. We gedachtenkrachten dat virus gewoon weg, of degraderen het tot een ‘griepje’. Hocus pocus pilates pas.

Natuurlijk, iedereen heeft zo zijn eigen manier om met dreiging om te gaan. Vechten of vluchten. We denken dat we het in die context over het virus hebben, maar eigenlijk hebben we het over elkaar. Mensen die zich onschendbaar wanen voor corona, brengen met hun roekeloosheid anderen in gevaar, bijna met ongekende agressie. Ze eisen dat de samenleving voor hen doordraait. De caissière met COPD moet door haar werkgever gedwongen worden de boodschappen te scannen. De pakketbezorger met nierschade moet tot aan de voordeur blijven komen. De juf met suikerziekte moet hun kind fysiek onderwijs blijven geven. De verpleegkundige met verminderde weerstand moet hen zorg blijven bieden. De zero positieve buschauffeuse moet hen blijven vervoeren. Iedereen moet ‘normaal’ doen. Want het leven is kort en ze moeten nú leven. Nú, nú, nú. Het risico voor een ander kunnen zij, poef, met één woord weg relativeren: ‘Angsthaas’. De behoefte of noodzaak van de ander om zichzelf tegen een potentieel dodelijke ziekte te beschermen gaat deze mensen ver boven de pet. Ze achten het leven van een ander net zo weinig waard als dat van henzelf. Ze hekelen massaal het ‘nieuwe normaal’ en willen zo snel mogelijk weer terug naar het oude. Alsof een samenleving niet altijd al voortdurend verandert. We stagneren in oude denkbeelden die niet bij een crisis passen en zijn daardoor blind voor onconventionele oplossingen. Waar wij out of the box zouden moeten komen en corona erin, doen wij dat andersom.

Bijna zeven maanden corona. Mijn wereldbeeld, mijn ideeën over de natuur, gezondheid, wetenschap, medemenselijkheid, integriteit, ethiek respect voor leven en waardig sterven, het staat allemaal compleet op z’n kop. Ik stel mezelf de existentiële levensvragen, het knaagt. We zwijnen als land door de grote drama’s heen: enerzijds door ze te verzwijgen, anderzijds door onze risicogroepen indirect te dwingen zich te isoleren van de samenleving. Hoe moeilijk we het hen maken, zodat de ‘vitalen’ onder ons in ‘vrijheid’ kunnen leven. De kinderen gaan naar school, natuurlijk, want onderwijs is belangrijk. Als ze een paar weken fysiek onderwijs moeten missen, raken kinderen onherstelbaar beschadigd. Dat ze opa en oma niet kunnen knuffelen, of zelfs niet zien, och, dat doet een kind niets. Dat durven we met droge ogen te beweren. Alsof onze kinderen kleine cognitieve robotjes zijn. En de opa’s en oma’s, die denken we voor het gemak gewoon even weg. Er zal vast een of andere BN’er die in een talkshow wil komen vertellen dat zijn of haar ouders dat helemaal niet erg vinden, dus dan geldt dat voor iedereen. Gewoon doorlopen. We walsen al stampvoetend over miljoenen gevoelens heen. Gevoelens die nog lang na corona blijven kwetsen. Longcovid. Collateral damage. Aanvaardbaar. Dan moeten ze maar naar een psycholoog. Tenminste, als de premie van het basispakket maar niet omhooggaat.

Dat mensen compleet in de verdrukking komen, dat we hen door werk, school, schoolgaande kinderen, zorg, persoonlijke verzorging of sociale druk bewust blootstellen aan risico, willen we niet horen. Twee tot vier miljoen mensen. Alsof we ze uit de samenleving weg kunnen denken. Op social media is het lekker ze nog verder een hoek in te drijven: ‘Aansteller, angsthaas’. Meestal IN HOOFDLETTERS en gevolgd door !!!!1!1!! Hoeveel stress levert dat op bij mensen in de risicogroepen? Hoeveel zelftwijfel? Hoeveel zorgelijkheid? En is het gerechtvaardigd hen 7 maanden uit te sluiten? Hun belangen totaal niet te zien? En hoe zit het met de rest van de samenleving? Zij die deze mensen willen beschermen? Hun gezinnen? Henzelf? Hun geliefden? Zij zijn van ondergeschikt belang aan de vrijheid van een minderheid van schreeuwlelijken. Ze worden niet hard op hun plaats gezet. In plaats daarvan krijgen ze een mooi podium in de om kijkcijfers strijdende talkshows. Beleid wordt op hun zucht naar vrijheid afgestemd. Wie het hardst schreeuwt, krijgt zijn zin.

Als zo’n virus nieuw is in de samenleving, is de verspreiding voor iedereen een mysterie. Natuurlijk moet je dan naar alle invalshoeken luisteren. In gesprek gaan. Uitleggen. Geduld hebben. Maar als je merkt dat mensen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid, of de samenleving als geheel, is het tijd rationeel te handelen. Als antropoloog heb ik die kennis al eens eerder opgedaan. Als je niet ingrijpt, nemen roekeloosheid en nalatigheid de overhand. Het virus laat zich verspreiden. Er sterven mensen. Anderen worden chronisch ziek en de economie krijgt zulke harde klappen, dat we daar over tien jaar nog de sterretjes van zullen zien.

Je kunt naar deze mensen blijven luisteren en hun zin blijven doen. Het heeft echter grote consequenties. In dit proces raakt een meerderheid in de samenleving de zelfbeschikking, de autonomie en de lichamelijke integriteit kwijt. We kunnen en mogen onszelf niet beschermen tegen een nog onbekend en schadelijk virus. De overheid kan ons dwingen het virus onze huizen binnen te laten door verplichtingen op werk en school. De overheid bepaalt welk risico voor ons aanvaardbaar is. En dat is waanzin. Als antropoloog moet ik rationeel blijven, zeker als ik met de politiek wil praten. Oog hebben voor de ‘andere kant’. Welke andere kant, vraag ik me af. De volksgezondheid zou op nummer 1 moeten staan. Iedereen heeft daar recht op. Mensen die de volksgezondheid in gevaar brengen, zijn niet ‘de andere kant’. Ze leggen een bom onder de samenleving. De grote meerderheid draait op voor hun roekeloosheid. Het zet veel mensen in de verdrukking. De samenleving in haar geheel loopt grote schade op. Dat zie ik, ik hoor de persoonlijke verhalen, ik heb het al eens meegemaakt. Die wetenschap uitdragen, het wordt niet gewaardeerd.

Intussen knaagt het zich een weg door mijn geweten. De diplomatie breekt me op. Hier is een breekijzer voor nodig. Ik hou me in. Ik zeg niet wat ik zou willen zeggen. Maar het frustreert me wel. Temeer omdat ik weet dat juist door roekeloze mensen deze crisis nog heel erg lang gaat duren. En door politici die de ruggengraat niet hebben om dit veelkoppig beest te lijf te gaan. Ik wik en weeg, theorie boven emotie. Ik laat me zorgvuldig uit. Niet alarmistisch zijn. Niet te pessimistisch zijn. Hou het wetenschappelijk. Hou afstand. Geen tirades over de verpleeghuisdoden. Geen emoties over de doden die niet eens in onze statistieken opgenomen mogen worden. Geen emoties, punt. Maar het vreet aan mijn geweten. Want net als de meesten van ons, zie ik hoe volkomen onethisch we met deze crisis omgaan. Hoe weinig het menselijk leven hier eigenlijk waard is. Hoe koud en kil we over het leven van een ander denken. Al helemaal als dat leven niet volmaakt ‘vitaal’ is. Dat we niet voor elkaar willen zorgen. Dat we eigenlijk helemaal niet eens een heel klein beetje solidair zijn met elkaar. Dat we mensen willens en wetens in gevaar brengen. Door binnen coronabereik te komen. Door ze te dwingen zonder mondkapje te werken. Door ze te dwingen zorg te ontvangen die niet veilig is. Door ze naar scholen te sturen waar corona ‘rondwaart’. Dat we dat allemaal onder het tapijt blijven vegen en dat het niet eens bespreekbaar is. Je mag het niet benoemen, dat veroorzaakt paniek. Het is te alarmistisch. We moeten nuchter en kalm blijven. Alsof corona zich weg laat relativeren. Nou. Dat raakt me. Het raakt me. Het raakt me, punt.

Hoe belangen het Nederlandse testbeleid frustreren. En hoe het anders kan.

Dossier Testbeleid Corona
Lees het hele dossier hier


De Nederlandse overheid heeft gekozen voor een strategie van maximale controle op de verspreiding van het coronavirus. In dit beleid is het ‘testen, traceren, isoleren’ (TTI) een belangrijke pijler om ‘kleine brandjes die oplaaien snel uit te trappen’. De rijksoverheid beoogt een ambitieuze en effectieve aanpak op testen en traceren om het maatschappelijk verkeer ‘zoveel als mogelijk en verantwoord door te laten gaan’. Door het intensief testen van alle personen met klachten passend bij corona en een daarop aansluitend bron- en contactonderzoek, wil de rijksoverheid de keten van besmettingen doorbreken. Met dit beleid wijkt Nederland af van de strategie die de landen om ons heen inzetten om het coronavirus te bestrijden. De mobiliteit en het aantal sociale contacten per persoon worden in Nederland zo min mogelijk beperkt, waardoor de druk op de testcapaciteit groot is. Een ambitieus plan dat staat of valt met de beschikbaarheid van voldoende testcapaciteit. Tot nu toe is het Nederland niet gelukt het testbeleid voldoende adequaat te laten functioneren. In dit dossier onderzoeken we de geschiedenis, de knelpunten en doen we een aantal aanbevelingen om het testproces soepeler te laten verlopen. 

Eerste besmettingen

Op 27 februari wordt live op TV de eerste officiële coronabesmetting in Nederland bekendgemaakt. Het gaat om een man uit Loon op Zand. De tweede besmetting wordt in de nacht van 28 februari vastgesteld bij een vrouw in Diemen. Beide patiënten raakten besmet tijdens verblijf in het Italiaanse Lombardije. GGD en RIVM zetten de gebruikelijke middelen in om een infectieziekte in een vroeg stadium op te sporen: testen, traceren van besmette(lijke) personen en isolatie van besmette personen en hun contacten (TTI). Het Landelijk Centrum Infectieziekten van het RIVM stelt een casusdefinitie op voor de opsporing van nieuwe besmettingen: Alleen personen die in de voorafgaande 14 dagen teruggekeerd zijn uit een risicogebied of in direct contact zijn geweest met een bewezen besmette persoon, met de klachten koorts èn hoesten of kortademigheid, worden als ‘coronaverdacht’ aangemerkt. 

Vanaf het allereerste bevestigde geval is het testbeleid in Nederland restrictief en ook de casusdefinitie voor covid is strikt: als een verdachte patiënt niet alle symptomen vertoont, wordt niet getest op SARS-C0V2. Daardoor kan het virus zich ongemerkt onder met name de Brabantse bevolking verspreiden. In die eerste dagen wordt vrijwel niemand getest. Alleen voor heel verdachte gevallen mogen de huisartsen de GGD bellen, maar ook dan krijgen ze vrijwel altijd ‘nee’ te horen. Het AD reconstrueert dat ‘een hoge dam wordt opgeworpen voor onderzoek naar mensen met luchtwegklachten zonder aanwijsbare oorzaak.’ 

Arts-microbioloog Peter Schneeberger verzucht in zijn terugblik over de eerste Covid-19 patiënten in Bernhoven: “Aan het einde van die eerste week in maart zijn in Ziekenhuis Bernhoven 17 patiënten positief met corona. Geen van de patiënten voldoet aan de casusdefinitie die het Landelijk Centrum Infectieziekten (LCI) op dat moment hanteert, koorts en luchtwegklachten en een verblijf in China of Noord-Italië.” Schneeberger gaat dan op onderzoek uit. Eind februari liggen er veel patiënten met griepverschijnselen in zijn ziekenhuis, die ook wel eens corona onder de leden zouden kunnen hebben. En dus gaat hij meer testen dan het RIVM adviseert. ‘Van onze eerste vijftien coronapatiënten was niemand in China of Italië geweest’, zegt Schneeberger. ‘Als we ons aan de regels van het RIVM hadden gehouden, hadden we die patiënten nooit gevonden.’ Doordat Schneeberger de eerste patiënten snel in het vizier heeft, weet hij al voordat de eerste Nederlandse coronapatiënt overlijdt dat Uden een brandhaard is.

Het Streeklab Haarlem is één van de laboratoria in Nederland dat toegerust is op het snel kunnen testen van monsters van grote aantallen patiënten. Het lab staat in de startblokken om te testen, maar wordt door de Haagse GGD niet ingeschakeld. Van het RIVM krijgt het lab geen eerste samples met virusmateriaal als referentie om de machines af te stellen. Als arts-microbioloog Jan Sinnige van het Streeklab het RIVM vraagt een monster van een patiënt te testen die helemaal binnen de casusdefinitie valt, wordt dat geweigerd. Drie dagen later ontvangt het lab dan toch samples met virusmateriaal en kunnen ze de patiënt zelf testen: die test slaat positief uit. 

Bij het RIVM blijft intussen veel testcapaciteit ongebruikt. ”Capaciteitsgebrek is nooit een reden geweest om niet te testen,” liet Chantal Reusken top-expert virologie bij het RIVM aan het AD weten. Uit haar relaas blijkt dat de gezondheidsdienst het niet nodig vond om veel te testen: “In het begin draaiden we ieder monster meteen bij binnenkomst. Dit was omdat er maar weinig monsters binnen werden gebracht. De machine waarmee de samples worden geanalyseerd, heeft evenwel een capaciteit van ongeveer negentig monsters. Het is te vergelijken met de afwasmachine aanzetten met slechts één kopje erin.”

In diezelfde periode kleurt Jan Kluytmans naar eigen zeggen ‘buiten de lijntjes’ door zorgpersoneel te testen en vindt 10 besmette medewerkers zonder direct patiëntencontact. Bij een steekproef van het RIVM in Brabantse ziekenhuizen blijkt 4% van de medewerkers besmet. Het team van viroloog Marion Koopmans stelt dan met sequencing vast dat er in Bernhoven 8 verschillende stammen circuleren. Hoewel er op dat moment officieel 121 besmette gevallen van corona in Nederland zijn, is er dan al sprake van ongecontroleerde verspreiding onder de bevolking van Noord Brabant. 

Ongecontroleerde verspreiding door restrictief testbeleid

Ann Vossen (OMT lid) waarschuwt als voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Medisch Microbiologen (NVMM) in een brief aan Jaap van Dissel, dat het restrictieve testbeleid een onjuist beeld geeft van de virusverspreiding in Nederland. De vereniging stelt dat de RIVM-data onterecht de indruk geven dat het meevalt met de stijging van het aantal besmettingen. De leden roepen op tot ingrijpen voor het te laat is: ‘meer testen om zicht te houden op verspreiding, ingrijpende maatregelen om de verspreiding af te remmen’. Andere OMT leden zien daar het nut niet van in. Marion Koopmans ziet in de resultaten van het genetisch onderzoek bewijs dat het coronavirus in Nederland niet meer op korte termijn uitgeroeid kan worden.  

Op 12 maart, twee weken na de eerste bevestigde besmetting in Nederland, besluit het RIVM het testen, traceren, isoleren los te laten. Ongemerkt heeft corona zich al onder de radar verspreid. Vanwege de wereldwijde vraagexplosie, verwacht het OMT een tekort aan testmaterialen. Omdat de laboratoria voldoende testcapaciteit willen behouden voor kritische zorg, adviseert het OMT buiten het ziekenhuis alleen nog personen te testen met een verhoogde kans op ernstig ziektebeloop. De GGD’en hebben niet genoeg personeel om veel testen af te nemen en het bron- en contactonderzoek vol te houden. Treurig gevolg van deze bevindingen is dat het testbeleid voor heel Nederland wordt losgelaten, terwijl het eigenlijk alleen in Noord Brabant niet haalbaar is. 

Noord-Nederland kiest voor eigen beleid

In Noord Nederland is er een betere startpositie: door een vroegere voorjaarsvakantie dan in het zuiden en geen grootschalig carnaval, is daar nog weinig verspreiding. Bovendien lijkt men in Noord-Nederland beter te zijn voorbereid: op 30 januari vond al een eerste voorlichtingsbijeenkomst plaats over corona. Via REMIS is er een al lang bestaande regionale samenwerking en op 6 maart besluit het Bestuurlijk ROAZ Noord-Nederland een Strategisch Kernteam covid-19 in te stellen. 

Ate van der Zee en Jos Rietveld zijn verantwoordelijk voor de twee ‘uiteinden’ van het regionale zorgstelsel in Groningen; het UMCG en GGD Groningen. 

Alle deelnemende partijen (ziekenhuizen, huisartsen, GGD’en, ambulancediensten, huisartsen, laboratoria, verpleeghuizen en verzekeraars) ervaren een gezamenlijke verantwoordelijkheid; het gangbare concurrentiebeginsel in de sector is stilzwijgend uitgeschakeld en men is bereid elkaar te helpen, ook al is dat soms niet in het belang van de afzonderlijke instellingen. Doordat het UMCG laboratorium meerdere testplatforms heeft, zijn er veel minder beperkingen in de testafname. In tegenstelling tot vele andere medisch-microbiologische laboratoria is het UMCG niet afhankelijk van de apparatuur van Roche, zij hebben meerdere machines staan en kunnen bij uitval makkelijk overschakelen naar een ander systeem. Medio maart biedt het UMCG de GGD Groningen aan om op grote schaal medewerkers van andere zorginstellingen te testen, ook personeel van verpleeghuizen en mantelzorgers. 

Arts-microbioloog Alex Friedrich dringt aan op meer testen. Dat er onvoldoende testcapaciteit is, wil er bij Friedrich niet in; die wordt volgens hem automatisch vergroot als er een topprioriteit is: “Dan zie je allerlei ontwikkelingen in de markt en worden er bruggen gebouwd. Als laboratoria weten dat het prioriteit is om te testen dan zetten ze alles op alles. Er wordt dan van alles in gang gezet om te zorgen dat het wel kan.” 

Door een beleid te voeren van ‘testen, testen, testen’, houdt het noorden van Nederland zicht op de verspreiding, maar wordt voor het afwijkende testbeleid wel op de vingers getikt door minister de Jonge. Eind maart besluit VWS echter het testbeleid in Groningen alsnog landelijk na te volgen. Meer testen kan dan, blijkt, wel. Maar, zegt Friedrich, “er was onvoldoende bewustzijn dat het nodig was.”

Geen zicht op testcapaciteit

Terwijl in maart de besmettingen in snel tempo oplopen, heeft de rest van Nederland helemaal geen zicht meer op de verspreiding. Nederland heeft dan, met minder dan 2.000 testen per dag, misschien wel een van de meest restrictieve testbeleiden ter wereld.

Zorgorganisatie Vivent probeert begin maart haar medewerkers te laten testen, maar wordt door het RIVM geweigerd. Verpleeghuismedewerkers moeten met klachten ongetest thuisblijven, maar dat is praktisch nauwelijks uitvoerbaar. Het personeel moet noodgedwongen aan het werk en besmet op die manier, ongewild, een flink deel van de verpleeghuisbewoners. Sommige laboratoria blijken wel testcapaciteit te hebben, maar weigeren de tests uit te voeren, omdat zij daartoe geen opdracht krijgen van RIVM en GGD. Er ontbreekt een landelijk overzicht van beschikbare capaciteit. Om overzicht te krijgen wordt Feike Sijbesma landelijk coronagezant; hij zal alle testcapaciteit in Nederland in kaart gaan brengen en de laboratoria van voldoende voorraden aan testmaterialen voorzien. 

Begin april gaat het Landelijk Coördinatiecentrum Diagnostische Keten (LCDK) van start, dat er voor moet zorgen dat tekorten opgelost worden en meer testcapaciteit gecreëerd wordt. Andere labs zullen bij het testbeleid betrokken worden. De voorgenomen herverdeling stuit op weerstand: ‘Het is ”ongewenst” en heeft “risico’s” om de andere labs zelfstandig diagnostiek te laten doen’, schrijft de vereniging van microbiologen in een intern stuk. Bij die labs staat namelijk geen arts-microbioloog aan het hoofd die de kwaliteit van de tests kan bewaken, de resultaten goed kan interpreteren en verder kan zoeken als hij de uitslagen niet begrijpt. … In een mail van 5 april schrijft Ann Vossen, voorzitter van de NVMM en OMT-lid aan haar mede-microbiologen: “Wij blijven er voor strijden dat ook dan [als de nieuwe labs meedoen] de medische microbiologische labs in de lead blijven.” Maar, meldt het NRC, de bezwaren van de medisch-microbiologen zijn niet alleen inhoudelijk: Voor een deel van de hen beïnvloedt de omzet van hun lab hun inkomen. Daarnaast zijn ze bang om hun grip op de Nederlandse testmarkt kwijt te raken als de markt overgenomen wordt door ‘grote anonieme testfabrieken’. 

Als Vivent vanaf 15 april de eerste testen laat uitvoeren zijn die in het begin bij de helft van alle personeel met klachten positief. De problemen rond het testen zijn dan nog steeds niet opgelost. Maandenlang vragen zorgbestuurders VWS om meer testen voor de langdurige zorg. ‘Medewerkers zijn niet alleen bang zichzelf en hun eigen families te besmetten, maar ook de mensen voor wie ze zorgen. Waarom kunnen patiënten en medewerkers niet vaker worden getest? Binnen veel afdelingen in verpleeghuizen leidt het gebrek aan zicht op de problemen tot grote oversterfte. 

Uitbreiding testcapaciteit, maar voornamelijk op papier

Om in de steeds toenemende vraag te kunnen voorzien moeten de laboratoria snel opschalen. Uit efficiëntie oogpunt zijn de voorraden aan materialen minimaal en blijken veel laboratoria bovendien afhankelijk van dezelfde leverancier. Het verdeelschema is op dat moment ‘eerst de ernstig zieke patiënten, daarna de zorgmedewerkers in de ziekenhuizen, daarna de huisartsen en pas daarna de verpleeghuizen en hun cliënten. In dezelfde periode had Duitsland geen tekort aan testcapaciteit’. 

VWS laat in een update LCW op 17 april weten dat Nederland nu over voldoende laboratoriumcapaciteit en testmaterialen beschikt: ‘Er zijn inmiddels meer dan 40 laboratoria gevalideerd, of in het proces van validatie, voor COVID-19 diagnostiek. Daaronder vallen zowel medische microbiologie laboratoria als enkele niet-medische laboratoria. Samen vormen zij het ‘Landelijk laboratoriumnetwerk COVID-19’.’ Sanquin, de vijf laboratoria voor HPV-bevolkingsonderzoek, WBVR-Lelystad en GD in Deventer worden ingezet als opschalingslabs, de zogenaamde ‘pandemielabs’. Met de nu beschikbare capaciteit kunnen bij normale werkuren 17.500 testen per dag uitgevoerd worden en wanneer de werktijd wordt uitgebreid kan dit aantal verhoogd worden naar 29.000 per dag. 

Eind maart stelt het Duitse lab Labor Dr. Wisplinghoff via haar Nederlandse partner-laboratorium  U-Diagnostics per direct een testcapaciteit van 3.000 testen per dag ter beschikking. Terwijl in sommige verpleeghuizen dan al sprake is van grote oversterfte, wordt van deze capaciteit geen gebruik gemaakt. Het laboratorium, dat vanaf het begin van de coronacrisis in Duitsland al vele testen uitvoert, moet eerst een Nederlands certificaat krijgen waaruit blijkt dat het lab aan alle Nederlandse eisen voldoet. Maar ook als het bedrijf dat certificaat begin april krijgt, wordt er nog altijd geen gebruik gemaakt van die testcapaciteit. 

De inclusie van andere labs in het testproces lijkt te worden gefrustreerd: de bestaande contracten tussen de GGD’en en laboratoria vindt men uiteindelijk toch afdoende om te voorzien in de vraag. Nederland vaart dan nog steeds zonder zicht op de verspreiding met een nog altijd zeer restrictief testbeleid. Wie niet in de zorgsector werkzaam is wordt niet getest, maar ook binnen de zorg is het testbeleid nog altijd restrictief. De overheid concentreert zich op de ziekenhuizen en Intensive Care afdelingen, terwijl in de zorg buiten de ziekenhuizen medewerkers met klachten nog altijd doorwerken, vaak zonder adequate beschermingsmiddelen. 

Hoewel uit nationale en internationale signalen dan al blijkt dat het virus mogelijk ook verspreid wordt door personen die geen typische symptomen vertonen, wordt in de Nederlandse verpleeghuizen nog altijd niet preventief getest. Huisgenoten van zorgmedewerkers, ook al hebben ze klachten, worden niet getest. Op 20 april constateert minister de Jonge nog altijd belemmeringen bij het testen; verruimingen in het testbeleid worden door het RIVM – in plaats van direct – stapsgewijs doorgevoerd en bij de GGD’en dringen die verruimingen niet door. De laatste belemmering voor testen laat het RIVM op 12 mei pas vallen: vanaf dan mogen zorgmedewerkers direct testen als zij klachten hebben. 

Maar het zal nog tot 1 juni duren voordat in Nederland ook buiten de zorg gestart wordt met testen.

Marktwerking

In een opzienbarende reportage wil het programma Nieuwsuur aantonen dat het Nederlandse testbeleid gefrustreerd wordt door belangen. Zoals eerder het NRC betoogde: Nederlandse medisch-microbiologische laboratoria vrezen voor hun voortbestaan en houden daarom de uitbreiding van testcapaciteit naar andere, veelal niet-medische, laboratoria tegen. Hoewel voor sommige arts-microbiologen een persoonlijk financieel belang mee kan wegen, lijkt dat voor de overgrote meerderheid geen rol te spelen: de meeste arts-microbiologen zijn werkzaam in loondienst en hebben een vast inkomen.

Concurrentie tussen de labs zou voornamelijk gaan om de prijs-kwaliteit factor: Marktwerking leidde de afgelopen tien jaar tot een wildgroei aan laboratoria. Naast de bestaande microbiologische laboratoria verschenen zogenaamde huisartsenlaboratoria en probeerden buitenlandse laboratoria de Nederlandse markt te veroveren.‘Waar voorheen één of twee labs per regio waren, zijn er nu landelijk ruim honderd.’ Een speler op de markt is U-diagnostics, een echte prijsvechter, die zijn testen laat uitvoeren in een megalab in Duitsland. Het bedrijf heeft geen arts-microbioloog in dienst en kan daarom de prijs laag houden. Ook testlaboratorium Star-shl heeft als doel om zo snel en goedkoop mogelijk een testuitslag te leveren. Deze megagrote laboratoria opereren vaak internationaal, ze zijn efficiënt en brengen een behoorlijke schaalvergroting teweeg. Zorgverzekeraars zijn met name vanwege de lagere prijzen geïnteresseerd in deze zogenaamde ‘robotlabs’, waardoor de concurrentie toeneemt. 

Is het voor de diagnostiek wel echt noodzakelijk dat arts-microbiologen in dienst zijn om uitslagen te interpreteren? Directeur Maarten Cuppen van U-diagnostics vindt dat bij de Covid-test niet nodig: ‘‘Kijk naar de Covid-test, die heeft maar twee uitslagen: rood of groen. Punt. Dat vergt geen nadere uitleg.’ Wanneer een arts toch nog een vraag heeft moet die naar Duitsland bellen voor uitleg. ‘Dan moet ‘ie de vraag in het Duits of Engels stellen.” Als de testuitslag niet duidelijk is, kunnen ook de grote laboratoria een medische interpretatie vragen, de noodzaak om een arts-microbioloog aan de leiding van het testproces te zetten, lijkt er bij Covid-tests volgens Cuppen niet. 

De medisch-microbiologische labs zijn duurder, omdat zij arts-microbiologen in dienst hebben en meer aan onderzoek doen. Om hun contract met de verzekeraar te behouden, moeten zij soms onder de kostprijs bieden. Om een ruim en efficiënt testbeleid mogelijk te maken zou samenwerking met niet-medische of buitenlandse laboratoria tot aanzienlijke schaalvergroting kunnen leiden. De medische labs vrezen echter dat ziekenhuizen door samenwerking met deze grote laboratoria uiteindelijk de kosten van arts-microbiologen niet meer kunnen dragen. 

De medisch-microbiologische labs maken hogere kosten dan de grote testlabs, maar hoe in de corona testmarkt momenteel geconcurreerd wordt op prijs is niet duidelijk. Voor de covidtest betaalt de GGD een vaste prijs van 65 euro, en voor 1 juni was dat zelf 95 euro per test. De inzet van grotere labs heeft (nog) niet geleid tot een lagere marktprijs voor PCR diagnostiek bij Covid-19. 

Kwaliteit versus kwantiteit

Het belangrijkste argument van de NVMM om samenwerking met andere labs tegen te houden lijkt de ‘kwaliteitseis’. Maar hoeveel kwaliteit is daadwerkelijk nodig in de Covid-19 diagnostiek? De GGD’en nemen de samples af, die gaan naar het lab en zonder tussenkomst van een arts krijgt de geteste persoon de uitslag van de GGD. De arts-microbioloog hoeft hier niet noodzakelijk aan te pas te komen. Soms echter, is de uitslag van een test onduidelijk en kan een arts-microbioloog meer duidelijkheid verschaffen. 

Volgens hoogleraar Christina Vandenbroucke van het Amsterdam UMC hoeft samenwerking met grote niet-medische labs geen problemen op te leveren als de medische labs controles kunnen uitvoeren en de medische lead nemen bij de interpretatie van tests met een onduidelijke uitslag. De grote ‘testfabrieken’ zouden dan hun capaciteit maximaal in kunnen zetten. Het lijkt een eenvoudige optelsom. Maar de medische microbiologie is complexer dan ‘slechts een labuitslag’. 

“Laboratoria hebben van oudsher een belangrijke functie in het signaleren van nieuwe virus- of bacterieuitbraken. De ‘streeklaboratoria voor de volksgezondheid’ werden na de Tweede Wereldoorlog opgericht om uitbraken van besmettelijke bacteriën zoals tuberculose, tyfus, difterie en syfilis te bestrijden. Laboratoria moeten GGD’s en RIVM waarschuwen als ze vermoeden dat in hun regio een infectieziekte is uitgebroken. Maar nu bloedbuisjes uit Friesland naar laboratoria in Roosendaal, Delft en zelfs Duitsland worden gestuurd, en coronatests van verpleeghuizen uit Oost-Brabant in Rotterdam worden onderzocht, raakt het overzicht zoek. En lopen we het risico dat nieuwe infectieziekten te laat worden opgespoord. … “ Uit: De Groene

De laagste prijs per test is voor verschillende zorginstellingen en regionale GGD’s vaak de doorslaggevende factor om met een bepaald laboratorium samen te werken. De regionale functie van de medisch microbiologische labs is daarmee voor een deel verloren gegaan en de functie van deze laboratoria voor de volksgezondheid is uit het oog verloren. Zo stelt de inspectie dat ziekenhuizen zonder eigen laboratorium zeer kwetsbaar zijn voor uitbraken van infectieziekten. 

De arts-microbioloog

Een arts-microbioloog houdt zich bezig met het opsporen, diagnosticeren en behandelen van aandoeningen veroorzaakt door micro-organismen, zoals het coronavirus. Volgens arts-microbioloog Marc Bonten is de medische microbiologie “een integraal product van uitslag, advies en beleid” wat bijdraagt aan de kwaliteit van patiëntenzorg. Als een medisch-microbiologisch lab regionaal kan opereren, kunnen artsen-microbioloog nieuwe bronnen van infectie sneller signaleren en opsporen. ‘De microbiologische diagnostiek wordt in Nederland verzorgd door een fijnmazig netwerk van medisch microbiologische laboratoria, meestal aan een ziekenhuis verbonden of vanuit een organisatie die de microbiologische diagnostiek voor enkele ziekenhuizen verzorgt. 

Waar Duitsland veel kwantiteit in huis heeft, heeft Nederland veel kwaliteit. Nederland heeft vergeleken bij Duitsland veel minder problemen met antibioticaresistentie en weinig MRSA. Het is belangrijk dat we niet uit het oog verliezen dat het waarborgen van die kwaliteit voor de non-covid diagnostiek en de tijd na de corona pandemie, voor de volksgezondheid gewaarborgd wordt. Als het Nederlandse microbiologische landschap verandert in een aantal clusters van grote testlabs, lopen we het risico dat een nieuwe infectieziekte te laat zal worden opgespoord. En volgens arts-microbioloog Thijs Tersmette is het kosten-vraagstuk relatief: “Misschien zijn we per lab wel iets duurder, maar onze bijdrage aan de gezondheidszorg is zoveel groter dat je het dik terugverdient.” 

Schaarste in materialen en testcapaciteit

Op 17 april schrijft het ministerie VWS in haar rapport Landelijke Coördinatie Structuur Testcapaciteit dat bij een geleidelijke stijging er op korte termijn zekerheid is over voldoende levering van testmaterialen, waar tot dan toe een groot tekort aan is geweest. De Speciaal Gezant en de LCT werken hard om de beschikbaarheid van voldoende materialen op de langere termijn te garanderen. Ook zet VWS in op productie van testmaterialen in Nederland. Sanquin is in opdracht van het ministerie van VWS gestart met de productie van lysisbuffer. De fabricage van well plates wordt ingericht, de grondstoffen zijn besteld. Ook de productie van het afnamemateriaal, 3D-geprinte exemplaren van de nasopharynx swabs, zal in Nederland worden uitgevoerd. 

Om de testcapaciteit uit te breiden kunnen laboratoria zich aansluiten bij het landelijke netwerk van SARS-CoV-2 laboratoria in Nederland en daarmee ‘in geval van overcapaciteit bijdragen aan de schaarste van andere laboratoria’. Om kwaliteit en veiligheid te waarborgen, zijn er criteria opgesteld waaraan voldaan moet worden: Het laboratorium dient ‘positief geëvalueerd te zijn door het RIVM, de testfaciliteit moet zich conformeren aan het landelijk testbeleid wat onder meer betekent dat alleen mensen doorverwezen door artsen/GGD getest mogen worden en testresultaten gecommuniceerd moeten worden met de GGD om te voldoen aan de meldplicht’. Tevens moet ‘een Nederlandstalige arts-microbioloog verbonden zijn aan het laboratorium om de interpretatie van de resultaten te verzorgen, uitslagen te communiceren met de zorgverleners en beschikbaar te zijn om tekst en uitleg te geven indien een zorgverlener er om vraagt’. Die week gaat ook het Landelijk Coördinatieteam Diagnostische Keten (LCDK) van start, onder leiding van arts-microbioloog Edwin Boel van het UMC Utrecht, pas afgetreden voorzitter van de Vereniging Medisch Microbiologische Laboratoria (VMML) en arts-microbioloog Ann Vossen, voorzitter van de Nederlandse Vereniging Medische Microbiologie, wordt voorzitter van de Taskforce Diagnostiek. Het OMT vraagt de NVMM in maart om ‘deze adviesclub met beslissende stem op te richten’.

Eind mei meldt Ann Vossen, nu als voorzitter van de Landelijke Taskforce Moleculaire Diagnostiek, dat ‘de tijd van limiterende factoren voorbij is’: Nederland zou 30.000 testen per dag uit kunnen voeren. Dat het zo lang geduurd heeft voordat die capaciteit beschikbaar is, komt doordat er genoeg testen afgenomen moesten kunnen worden door de GGD’en, er moesten voldoende testmaterialen zijn en er moest een IT systeem opgezet worden om alles te registreren en alle GGD’en met hun testlaboratoria te verbinden. Vijftig verschillende labs moesten aangesloten worden, die weer samenwerken met 25 verschillende GGD’en. 

Verschillende labs bieden hun testcapaciteit aan ten behoeve van de diagnostiek van SARS-CoV-2. Van dat aanbod maakt de minister geen gebruik, zogezegd omdat dit maar een tijdelijke oplossing biedt. Volgens Ann Vossen speelt ook de kwaliteits-eis mee. Toch is dit maar een gedeeltelijke verklaring want waar bloedbank Sanquin wel als opschalingslab wordt ingezet, kunnen sommige medisch microbiologische labs hun capaciteit nog steeds niet inzetten voor covidtests van de GGD’en omdat ze wachten op aansluiting op CoronIT of omdat de GGD’en aarzelen met het aanpassen van logistieke stromen naar de eigen regio. 

Keuzes in beleid

Door het landelijke netwerk van laboratoria, kan – in theorie – een aanzienlijke vergroting van testcapaciteit gecreëerd worden. Voordat die capaciteit ingezet kan worden echter, moeten alle gecontracteerde labs zich voor 1 juni eerst aansluiten via CoronIT. Deze labs moeten voor 3 maanden voorraad aan testmaterialen aanleggen en aan alle door VWS gestelde voorwaarden voldoen. 

De problemen rond testcapaciteit en schaarste lijken voorbij. In een interview met de NOS laat Ann Vossen weten dat meer testcapaciteit op dat moment niet nodig is, omdat “het beleid toen en nu is om het virus gecontroleerd te laten rondgaan in de samenleving. Andere landen hebben laten zien dat de combinatie van een lockdown, testen, traceren, isoleren en quarantaine snel leidt tot het goeddeels uitroeien van het virus. … Iedereen met klachten testen is gewoon niet nodig in de lockdown-fase, want dan probeer je met maatregelen zoals thuis blijven de epidemie te onderdrukken. … Zelfs als we iedereen met klachten eerder hadden kunnen testen, dan hadden we dat niet gedaan.” 

Coronagezant Feike Sijbesma werpt in mei intern al de vraag op of de tescapaciteit niet verder omhoog moet en of opschaling niet in ieder geval in kaart gebracht moet worden, zo reconstrueert Follow The Money. ‘Voor de zomerperiode, maar vooral ook voor het “snotterseizoen” dat erna komt… omdat valt te voorzien dat talloze mensen zonder symptomen zich zullen laten testen en de testcapaciteit daarvoor tekortschiet.’ 

De opschaling van de testcapaciteit is in handen van arts-microbioloog en OMT-lid Ann Vossen, tevens voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Medische Microbiologie èn voorzitter van de Landelijke Taskforce Moleculaire Diagnostiek. Vossen ziet de noodzaak van opschalen en ruim inzetten op testen als strategie echter niet: ‘Alleen maar testen om het testen heeft weinig zin. Ik begrijp dat het een gevoel van controle kan geven, maar als je iedereen test, moet je ze daarna blijven testen. Maar wij kunnen niet alle geteste mensen volgen.’

In de zomermaanden wordt flink gediscussieerd over ‘de beste verdeling van de tests’, meldt Nieuwsuur. Daarbij zouden grote belangen meespelen. Het Landelijk Coördinatieteam Diagnostische Keten (LCDK) van het ministerie VWS laat de labs en GGD’en weten dat zij de tests wil gaan verdelen naar laboratoriumgrootte en de te verwachten toestroom bij de teststraten, waarbij ook andere bij het netwerk van laboratoria aangesloten labs zullen worden ingeschakeld. Dat stuit op verzet bij de Nederlandse Vereniging van Medisch Microbiologen (NVMM), zij willen zelf de tests blijven verdelen. Voor hen zou meespelen dat sommige medische labs met een nieuwe verdeling in hun voortbestaan bedreigd worden. GGD’en willen zich graag houden aan de contracten die zij al met laboratoria hebben. Oude afspraken zitten het testbeleid dus in de weg. De GGD’en en hun diagnostieklaboratoria werken altijd al nauw samen en hebben deze samenwerking vastgelegd in contracten over tests die moeten worden gedaan. De verdeling van de coronatests loopt nu volgens diezelfde afspraken, waardoor 25 vooral ziekenhuislaboratoria worden ingezet.

Van de ruim 100 Nederlandse labs, worden er slechts 50 permanent ingezet voor het testen op corona. Aangesloten laboratoria bij het landelijke netwerk worden nog niet optimaal regionaal ingezet en labroatoria teren in op hun voorraden door gebrekkige aanvulling van reagentia vanuit de LCDK. Dat is niet omdat die contracten ooit zijn afgesloten om kwaliteit en regionale functies van de labs optimaal te benutten, maar vanwege de (lagere) kostprijs. Sommige GGD’en hebben zelfs contracten met labs buiten hun regio, wat die zo belangrijke regionale vinger aan de pols door arts-microbiologen onmogelijk maakt. 

De arts-microbiologen houden echter vast aan de verdeling, redelijk of niet, dat wordt door LCDK eind juli gehonoreerd: de oude verdeling zal gehandhaafd worden. ‘Om de verwachte verhoging van het aantal testaanvragen te accommoderen is het voorstel dat de labs gelijkelijk gaan opschalen. Als het aantal afgenomen testen 10% omhooggaat, gaan alle labs dus 10% meer testen. De hoogvolumelaboratoria worden daarbij gevraagd zo snel mogelijk te starten met poolen. Een aantal labs investeert of heeft geïnvesteerd in aansluiting op CoronIT om onderdeel te kunnen zijn van het labnetwerk. Dankzij de investeringen van deze labs is er voldoende flexibiliteit, wanneer de testaantallen omhooggaan. Als blijkt dat deze labs onvoldoende monsterstromen krijgen om deze investeringen in CoronIT te dekken, worden zij door VWS gecompenseerd’, schrijft het LCDK eind juni in haar nieuwsbrief

De vraag groeit sneller dan het aanbod

Door de aanschaf van andere systemen, een centraal inkoopsysteem van reagentia en het aansluiten van meer labs bij het landelijke netwerk, heeft Nederland nu een capaciteit van 160.000 testen per week. Maar hoe vaak de labcapaciteit ook wordt opgeschaald, het lijkt steeds te worden ingehaald door een groei van het aantal testaanvragen. 

Bloedbank Sanquin laat weten dat zij nog verder kunnen opschalen en ook andere Nederlandse labs hebben nog extra capaciteit. De crux: deze laboratoria gebruiken allen dezelfde materialen als de medisch-microbiologische labs. Opschalen bij het ene lab, betekent in dat geval dus niet dat er extra capaciteit gecreëerd wordt. De capaciteit wordt dan bij het ene lab weggehaald, om bij het andere lab gebruikt te worden. Het lukt nu, in het staartje van de zomer, in de meeste regio’s niet om binnen de voorgeschreven 48 uur een testafspraak te regelen, terwijl de GGD’en nog verder moeten opschalen. In het ergste geval zijn in oktober elke dag 37.500 tests nodig, in november 55.000, een maand later 70.000 en in februari 85.000, op basis van schattingen gebaseerd op het aantal mensen dat luchtwegklachten heeft. De Nederlandse labs kunnen momenteel krap 23.000 tests per dag aan. 

Concentratie van diagnostiek bij een paar grote laboratoria zou winst kunnen opleveren in de capaciteit. Voor de GGD’en wordt de planning en bevoorrading dan gemakkelijker. Maar als dat betekent dat een monster van Breda naar Amsterdam gebracht moet worden, in plaats van in Breda zelf te diagnosticeren, valt daar geen winst te behalen, betoogt Marc Bonten. Sanquin, maar ook andere grote labs garanderen dat dat logistieke proces voor hen geen grote uitdaging is; zij kunnen uitslag binnen 24 uur garanderen. Zij pleiten ervoor juist de groot-volume labs als primaire labs te gebruiken, vanwege de efficiëntie. Dat zou echter wel betekenen dat de medisch-microbiologische labs veel minder zouden gaan testen en daarmee ook omzet mislopen. En dit laatste lijkt de belangrijkste reden om de testmarkt niet op een andere manier in te delen. 

Opschalen naar Duitsland

De keuze om in Nederland vooral met de eigen medisch-microbiologische labs te (blijven) werken is volgens De Jonge weloverwogen, vanwege de regionale functie en het fijnmazige netwerk. Toch dringt het ook bij De Jonge doordat er nu behoefte is aan ‘hoogvolume laboratoria’. De minister wil dat ook in Nederland realiseren, maar dat kost even tijd: “Daarom hebben we in de tussentijd de afspraak gemaakt met een aantal grote Duitse laboratoria. Ondertussen zullen we ook dat type laboratoria tot stand moeten brengen.”

Eurofins, gevestigd in München, is zo’n grootschalig testlaboratorium waar De Jonge een contract voor covidtests heeft afgesloten. Directeur Olie legt uit dat  Eurofins uit veel verschillende bedrijven bestaat: “Daarbij zitten ook bedrijven die specifiek apparatuur en reagentia ontwikkelen en produceren. Daardoor hebben wij volledige controle over productie en voorraden. We hoeven niet met anderen te concurreren bij externe leveranciers. Daarom kunnen we gemakkelijk de diagnostiek garanderen, waar anderen problemen kunnen hebben met materiaalschaarste.” Olie verzekert dat er voldoende specialistische kennis aanwezig is om ook coronatests deskundig te analyseren. “In Europa heeft Eurofins ongeveer 150 microbiologen in dienst en een vergelijkbaar aantal moleculair biologen. Zij dragen zorg voor de kwaliteit van onze diagnostiek. Alle laboratoria hebben bovendien de benodigde accreditatie.” Bij het Duitse bedrijf worden de komende weken steeds meer monsters uit Nederland getest. Volgende week gaat het om 5000 stuks, de week erna 10.000, uiteindelijk oplopend tot 44.000 per dag. 

Nederland is het eerste land waarvoor Eurofins covidtests gaat diagnosticeren. De afgelopen maanden heeft het bedrijf, volgens Olie in samenspraak met GGD en RIVM, gewerkt aan een structuur waarin tienduizenden tests per dag kunnen worden afgehandeld. ‘Twee keer per dag worden monsters opgehaald bij teststraten in heel Nederland.’ Vervolgens worden ze samengebracht op een verdeelstation van Eurofins in Barneveld, en gaan ze per wegtransport naar een lab München. Medio oktober zullen de monsters naar Rijswijk gaan, waar het bedrijf een lab uitbreidt naar een capaciteit van 50.000 tests per dag. Het bedrijf heeft de Nederlandse overheid beloofd testuitslagen binnen 36 uur te leveren.

Ook met U-Diagnostics wordt een contract afgesloten voor diagnostiek bij partner-laboratorium Labor Dr. Wisplinghoff in Keulen. Vanaf deze week zal dit laboratorium 500 tests per dag uitvoeren. De komende weken wordt dit uitgebreid naar 2.000 en uiteindelijk naar een maximum van 5.000 tests per dag. 

Samen met de 23.000 tests die door Nederlandse laboratoria gediagnosticeerd kunnen worden, zit Nederland aan het einde van dit jaar op een totale testcapaciteit van 79.000 tests per dag. Net genoeg voor de maand december, zelfs als corona zich nu wel aan de planning van de GGD’en het het RIVM houdt. 

De toekomst van de medische microbiologische labs

Door extra capaciteit in te kopen in Duitsland, waar Nederlandse labs geen concurrentie hoeven aan te gaan voor de aankoop van testmaterialen, lijkt de minister een grote stap in de goede richting te zetten. Het hangt echter wel een prijskaartje aan en ideaal is het ook op het vlak van logistiek niet. Eurofins levert binnen 36 uur een uitslag, terwijl De Jonge juist werkt aan het terugbrengen van de doorlooptijd van het testen: Het streven is dat er 48 uur zit tussen het maken van de afspraak en de testuitslag, dat lijkt met Eurofins een welhaast onhaalbare kaart. De Jonge schrijft daarover in de kamerbrief van 28 augustus dat de bundeling en vervoer van testmonsters naar het Duitse lab invloed zal hebben op de doorlooptijd. Voor effectief bron- en contactonderzoek is Eurofins niet de ideale kandidaat. 

En ook de capaciteit van Eurofins kent een grens. Als die eenmaal bereikt is, moet er dan weer een internationaal bedrijf aangetrokken worden om in Nederland een megalab neer te zetten? De Jonge werkt aan sterke uitbreiding van de testcapaciteit door meer contracten met laboratoria af te sluiten, extra analyseapparatuur en testmateriaal in te kopen en door de ontwikkeling van alternatieve testmethoden te stimuleren. Wat gebeurt er met die capaciteit na corona? De inzet van De Jonge is erop gericht ‘om te zorgen dat deze situatie zo tijdelijk mogelijk is’. En is dit wel de meest kosteneffectieve oplossing? 

Goed uitgeruste medische microbiologische labs met een vinger aan de regionale pols, zijn van wezenlijk belang voor patiënten en de volksgezondheid. Als de recente uitbraken van SARS, MERS, Q-koorts, ebola, marburg en SARS CoV2, bijvoorbeeld, ons iets hebben geleerd, is dat het steeds belangrijker wordt uitbraken van infectieziekten snel op te kunnen sporen. Dat de Nederlandse medische labs hun hoge kwaliteit moeten behouden, staat buiten kijf. Maar ook is in deze crisis duidelijk geworden dat de medische microbiologie in Nederland meer moet openstaan voor het toevoegen van de noodzakelijke kwantiteit (desnoods uit het buitenland).  Maar het zou misschien meer voor de hand liggen dat de medisch-microbiologische labs in Nederland een manier vinden om samen te werken en kwaliteit en kwantiteit met elkaar weten te verbinden. 

Hoe de laboratoria hun regionale functie kunnen behouden, zal liggen aan de uitwerking van de samenwerking tussen de labs. Eén ding is duidelijk: de NVMM moet koers gaan bepalen en initiatief nemen. Dat daarbij belangenvraagstukken een rol zullen spelen, ligt voor de hand. Die belangen mogen het Nederlandse testbeleid echter niet belemmeren. Het lijkt erop dat de behoefte van de bij de NVMM aangesloten medisch-microbiologen om alles bij het oude te houden, het kabinetsbeleid in ieder geval gekleurd hebben. Doordat zowel de labs als de GGD’en vast bleven houden aan oude afspraken, werd het opschalen en het efficiënt inzetten van capaciteit van andere laboratoria in het netwerk bemoeilijkt. In het belang van de volksgezondheid zou de NVMM het initiatief moeten nemen om zowel de toekomst voor haar aangeslotenen, de kwaliteit van de microbiologische diagnostiek en de kwantiteit vereist om een pandemie het hoofd te bieden met elkaar te combineren. 

Arts-microbioloog Marc Bonten ziet een oplossing in het onderbrengen van de huidige ziekenhuislaboratoria in een aantal grotere organisaties. “Deze zullen in staat zijn op prijs en inhoud de concurrentie met buitenlandse partijen aan te gaan, terwijl de medebehandeling van patiënten door artsen-microbioloog behouden blijft. Twee jaar geleden heeft de overheid het land in tien zorgnetwerken voor antibioticaresistentie ingedeeld. Laten we voor covid-19 hierop aansluiten, zodat de microbioloog het beste tot zijn recht komt en de patiënt de beste zorg krijgt.” Dit zou misschien niet alleen een goede oplossing zijn voor de covid-diagnostiek, maar ook voor de non-covid diagnostiek, tijdens en ná corona. 

Op deze manier kunnen de medisch-microbiologische labs wellicht weer ècht een regionale functie krijgen, zodat zij de verspreiding en ontwikkelingen rond het virus beter in kaart kunnen brengen, beter onderzoek kunnen doen en in het najaar en de winter een vinger aan de pols kunnen houden bij co-infecties. Eurofins kan dan als opschalingslab ingezet worden, terwijl de Nederlandse laboratoria als primaire labs voornamelijk personen met testprioriteit bedienen. Medewerkers uit de zorg, het onderwijs, verpleeghuisbewoners, bewoners van andere woonvormen en bedrijven met clusters kunnen zich dan regelmatig en met voorrang laten testen. Het LCDK verdeelt de landelijke voorraad testmaterialen over Nederlandse labs en houdt in het oog dat alle labs ook steeds voldoende capaciteit overhouden voor non-covid diagnostiek.

Taken verdelen en samenwerken

Nu deze week bij 96 van de 100 teststraten geen tests meer ingepland kunnen worden, wordt eens te meer duidelijk dat het oplossen van problemen rond de testcapaciteit een absolute prioriteit zou moeten zijn. GGD IJsselland-directeur Rianne van den Berg doet bij RTV Oost een niet mis te verstane oproep aan minister de Jonge: “Het ministerie moet alles in het werk stellen om de laboratoriumcapaciteit in Nederland zo goed mogelijk te benutten en te verdelen. En natuurlijk om snel op te schalen, met vooral de capaciteit in Duitsland.”

Hoe efficiënt en kosteneffectief de diagnostiek ook wordt ingericht, het is de vraag of het wenselijk is de laboratoriumcapaciteit steeds te blijven opschalen. Ook in de meest ideale situatie zullen er grenzen zitten aan beschikbare materialen. Schaarste zal, ook in de toekomst, nog vaker de toon zetten. Nederland zou daarom ook meer moeten inzetten op het terugdringen van de verspreiding. Het gekozen beleid van ‘langzaam laten verspreiden’ blijkt een te grote en onvoorspelbare druk op de testcapaciteit op te leveren. Bovendien is het testen, wanneer de aantallen zo hoog blijven, nog altijd niet laagdrempelig en zal het wellicht nooit laagdrempelig worden. Alternatieve testmethoden, zoals pooled testing en sneltesten, zouden een uitkomst kunnen bieden. Dan ontstaat er wellicht ruimte om ook personen met atypische klachten of asymptomatische personen te testen, zodat een beter zicht op de verspreiding ontstaat. 

Een andere bottleneck, de samenwerking tussen de medische microbiologische laboratoria en de regionale GGD’en, zou wellicht sneller een oplossing kunnen bieden. Als de GGD’en de bestaande contracten los kunnen laten voor de covid-diagnostiek, kunnen de laboratoria op een betere manier met elkaar samenwerken. UMCG-viroloog Bert Niesters ziet graag dat de verschillende laboratoria in de regio de krachten bundelen: ‘Mijn ideaal is eigenlijk een regionaal pandemielaboratorium waar wij samenwerken om de klus te klaren. Dan heb je ook een duidelijke scheiding tussen ziekenhuis en openbare gezondheidszorg.’ Als zulke pandemielaboratoria samenvallen met de zorgnetwerken voor antibioticaresistentie, ligt daar al een structuur waar op aangehaakt kan worden.

De Nederlandse medische microbiologische laboratoria kunnen ook op een andere manier een bijdrage leveren aan de efficiëntie van het testen door een deel van de testafname van de GGD’en over te nemen. Zo kunnen meer testlocaties geopend worden bij bijvoorbeeld ziekenhuizen of huisartsenposten die overdag gesloten zijn. De ziekenhuizen kunnen, net als de GGD’en mobiele testlocaties inrichten. Deze manier van werken geeft het beste regionale inzicht, is het meest kosteneffectief en in logistieke zin de beste oplossing. Als dan ook de huisarts in de covid-diagnostiek aangehaakt wordt, krijgt deze de positieve testuitslagen van zijn patiënten in het Elektronisch Patiënten Dossier. De huisarts krijgt daarmee een outreachfunctie voor patiënten met het risico op een ernstiger ziektebeloop en een signaalfunctie voor langdurige klachten van covid. Zo krijgt Nederland een compleet medisch overzicht van de covidpandemie, kan sneller ingeschat worden of de testcapaciteit opgeschaald moet worden en kunnen GGD’en zich toeleggen op hun kerntaak: het uitvoeren van het bron- en contactonderzoek. Want hoe effectiever het bron- en contactonderzoek, hoe beter de verspreiding wordt ingedamd. De vraag naar tests zal automatisch dalen en zo krijgt Nederland meer grip op het corona virus.  

Ginny Mooy
Namens @C19RedTeam

Totstandkoming

Auteur en samenstelling: Ginny Mooy, antropoloog.  

Met ondersteunende expertise: Bert Mulder, arts-microbioloog en Gowri Gopalakrishna, epidemioloog.

De grens tussen wetenschap en politiek is in de corona aanpak flinterdun

Toen de eerste berichten over corona het grote publiek bereikten, was er vooral bezorgdheid over dit nieuwe virus. Mondjesmaat druppelden de berichten uit Wuhan binnen, waar de ziekenhuizen volstroomden met ernstig zieke patiënten. De regio ging hermetisch op slot, een groot noodhospitaal werd gebouwd, uitgeput zorgpersoneel liet de wereld weten dat dit virus een ongekende impact op het lichaam had. Dat het ook een ongekende impact op de maatschappij had, vonden we toen vooral een Chinees probleem dat zich net als SARS tot Azië zou beperken. En corona zou waarschijnlijk toch nooit naar Nederland komen, er waren immers geen directe vluchten tussen Wuhan en Amsterdam.

Via reizigers verspreidde corona zich echter toch snel over de rest van de wereld. Terwijl de premier al ginnegappend een journalist verleidde om gewoon handen te blijven schudden, kwamen via Whatsapp en Facebook verontrustende video’s uit Italië binnen. Beelden van lange rijen patiënten op de Italiaanse IC’s wekten een ongelofelijk schrikbeeld: “Het heeft ons verrast, maar corona is echt en het is ons overkomen, leer van ons, jullie kunnen straks niet zeggen dat jullie niet gewaarschuwd waren,” zei een Italiaanse verpleegkundige.

In de Nederlandse instituties was men er toen nog van overtuigd dat corona de kenmerken had van een forse griep, alle waarschuwingen ten spijt. Een inschatting op afstand en misschien was het wel díe pijnlijk verkeerde inschatting die aanleiding gaf tot de star op Nederland gerichte academische benadering die daarna gevolgd werd. Onderzoeken en waarnemingen van buiten de grenzen werden en worden stelselmatig genegeerd. RIVM en OMT baseren zich op onderzoek van Nederlandse bodem, ook al nemen de landen om ons heen andere maatregelen en lijken zij soms over andere wetenschappelijke inzichten te beschikken. Als er geen Nederlands onderzoek beschikbaar is, wordt het nemen van maatregelen uitgesteld totdat dat wel zo is. Gebrek aan wetenschappelijk inzicht van eigen bodem is blijkbaar bewijs dat maatregelen dan ook niet nodig zijn.

Hoe de academische kennis mondjesmaat wordt opgebouwd blijft onduidelijk: als er geen bewijs is dat mondmaskers een bepaalde mate van werkelijke bescherming bieden, hebben mondmaskers geen nut. Als er geen bewijs is dat afstand houden buiten noodzakelijk is, heeft afstand houden dan weer wel nut. In de thuiszorg is een mondmasker niet noodzakelijk, in het openbaar vervoer wel. Er zijn talloze voorbeelden te noemen van ogenschijnlijk onbegrijpelijke wetenschappelijke inzichten.

Dat we geen inzage hebben in de opzet en overwegingen van onderzoek, maakt het soms twijfelachtig of überhaupt kennis wordt opgedaan. Zo lijkt alle academische kennis over mondmaskers gebaseerd te zijn op de persoonlijke ervaringen van Jaap van Dissel. RIVM onderzoek uit 2009 werd genegeerd, de bevindingen van de gedragsunit aan de kant geschoven. Mondmaskers boden schijnveiligheid. Totdat mondmaskers handig uitkwamen om de dienstregeling van het openbaar weer te hervatten en de vliegmaatschappijen weer de lucht in te krijgen. Blijkbaar werken mondmaskers in die gevallen wel. We zullen nooit weten wat er gebeurd zou zijn als we internationale inzichten voorlopig als aannemelijk hadden aangenomen en naar de signalen uit de zorg hadden geluisterd. Misschien hadden we dan besloten dat mondmaskers bij alle vormen van zorg ‘werken’ en hadden we meer geïnvesteerd in mondmaskers voor de zorg.

Het OMT ziet geen mogelijkheid het coronavirus in Nederland volledig in te dammen en kiest daarom voor een strategie waar de risicogroepen zoveel mogelijk afgeschermd blijven, de ziekenhuizen niet overbelast raken en de samenleving zo min mogelijk beperkt wordt in haar functioneren. De wetenschappelijke basis van die strategie is het grote publiek nooit duidelijk gemaakt. Het lijkt van buitenaf een beetje van alles wat, waar niemand echt grip op of leiding aan geeft.

Hoe desastreus zo’n aanpak kan zijn, leerden we van de hausse aan sterfgevallen in de verpleeghuizen. Er was geen Nederlands onderzoek en de situatie in de verpleeghuizen kwam voor het RIVM dan ook als een verrassing. In april startte de afdeling ouderengeneeskunde van het Amsterdam UMC een onderzoek naar de verspreiding van het coronavirus in verpleeghuizen. Bijna 5 maanden later concluderen de onderzoekers: de verspreiding van corona in verpleeghuizen vindt deels onder de radar plaats, als personeel en bewoners geen symptomen vertonen of die niet als passend bij corona herkennen. Het past bij het beeld dat in maart al uit internationale onderzoeken bleek: een aanzienlijk deel van de verspreiding verloopt via personen zonder (duidelijke of herkenbare) symptomen.

In de wetenschap is daar nog altijd discussie over: gaat het hier om asymptomatische personen, om presymptomatische personen of personen met atypische symptomen? Als je op detailniveau het virus wil bestrijden is het antwoord op deze vraag natuurlijk van wezenlijk belang. Maar hoe het ook zij: je zult nooit bij ieder individu vooraf kunnen vaststellen of zij wel besmet zijn, maar er nooit ziek van zullen worden, dat ze over een paar dagen ziek zullen worden of dat hun klachten niet passen binnen de symptomenlijsten van de verschillende gezondheidsdiensten. Immers, het is een nieuw virus, dus kan er nog geen sprake zijn van een helder beeld van de symptomen.

De uitwerking is in alledrie de gevallen hetzelfde: deze personen verspreiden het virus ongemerkt. Is het dan absoluut noodzakelijk eerst onomstotelijk te hebben vastgesteld of we moeten spreken van pre- of asymptomatisch of atypisch? Je zou denken van niet. Deze mensen komen in de verpleeghuizen, om te werken of op bezoek, of ze wonen er. Je kunt dus voorzorgsmaatregelen nemen. Maar dat gebeurde niet. Personeel mocht doorwerken zonder mondmasker en mèt klachten.

Uiteindelijk kwam het OMT deze week, naar aanleiding van dit ‘nieuwe wetenschappelijke inzicht’ met een nieuw advies voor de verpleeghuizen: regelmatig testen moet deze ‘onzichtbare’ besmettingen detecteren, meer preventieve maatregelen moeten meer verspreiding voorkomen. Maar hoewel je dit inzicht breder zou kunnen trekken naar alle andere zorg, of zelfs de samenleving als geheel, blijft het bij een verscherping van de richtlijn voor de verpleeghuizen alleen. In de thuiszorg werkt het blijkbaar anders dan in een verpleeghuis. Of misschien moeten alle verschillende vormen van zorgverlening eerst zorgvuldig onder de wetenschappelijke loep genomen worden om te bevestigen: a- of presymptomatisch of atypisch leidt ook in de huisartsenpraktijk of in de ambulante ouderenzorg tot verspreiding van corona.

In de media verwijzen verschillende OMT leden met regelmaat naar ‘schaarste’. Hoewel adviezen eigenlijk medisch zouden moeten zijn, speelt die schaarste toch een rol in het achterhoofd, legde Ann Vossen uit bij het programma Jinek. Natuurlijk ligt het voor de hand dat beleid niet voorbij kan gaan aan schaarste. Maar soms rijst de vraag of het OMT zich in haar adviezen niet teveel laat beperken door het idee van schaarste. Toen het OMT een restrictief testbeleid adviseerde omdat er een tekort zou kunnen ontstaan in testmaterialen, lag er een aanbod voor testcapaciteit van Duitsland op de plank bijvoorbeeld. De minister maakte geen gebruik van dit aanbod vanwege het geadviseerde testbeleid, terwijl dat advies gebaseerd was op een aanname dat schaarste zou kúnnen ontstaan.

De inmiddels beroemde uitspraak “met 50% van de kennis, 100% van de beslissingen nemen” legt meer bloot dan een overheid die tegen een achtergrond van grote onzekerheid een crisis moet bestrijden. Er is nog weinig echt wetenschappelijke kennis over corona. Wereldwijd worden vele inzichten gepubliceerd en ook uit nieuwsberichten valt een beeld op te maken van de impact van corona. Wat voorlopig als wetenschappelijk inzicht wordt beschouwd, is afhankelijk van de inschatting van de wetenschapper. Het OMT en RIVM maken daar afwegingen in. En die afwegingen, wijken regelmatig af van dat van wetenschappers in de landen om ons heen.

Het RIVM herhaalt steevast dat onderzoeken uit andere landen niet 1 op 1 vertaald kunnen worden naar de Nederlandse situatie. Als het om de besmettelijkheid van kinderen gaat bijvoorbeeld, ziet het RIVM in Denemarken een goed voorbeeld voor Nederland: daar leidde de heropening van scholen niet tot een significante toename in verspreiding. Dat Denemarken bijvoorbeeld 1 meter afstand tussen leerlingen aanhield, werd niet overgenomen in het Nederlandse beleid. De ervaringen uit andere landen, werden niet beschouwd. Op basis van welk bewijs het basisonderwijs begin juni weer volledig normaal opgestart kon worden, werd niet onderbouwd.

Het kabinet schat in dat er maar 50% kennis is over corona en krijgt vervolgens nog geen 50% van de inzichten die wereldwijd worden opgedaan om haar beleid op te maken. Eén ding is duidelijk: het OMT neemt beslissingen die met schaarste, bureaucratie en de beperkingen van bestaande instituties te maken hebben. Hoe het OMT haar ‘bewijs’ vertaalt in haar beleidsaanbevelingen echter, blijft vaag. Welk bewijs wordt gebruikt, hoe dit bewijs vervolgens geëvalueerd wordt en met welke andere factoren rekening gehouden wordt bij het vertalen van het bewijs naar beleid, blijft tot op de dag van vandaag een zwarte doos.

Nederland lijkt met deze constructie in een vicieuze cirkel terecht te zijn gekomen waarin politiek en wetenschap vooral een restrictieve invloed hebben op elkaar. De uitkomst is een coronabeleid dat alleen nog maar van onmogelijkheden uitgaat. Er wordt door het OMT schaarste voor de testcapaciteit veronderstelt, wat leidt tot een restrictief testbeleid. In dit testbeleid wordt het testen van a- of presymptomatische personen onwenselijk geacht, wegens gebrek aan bewijs dat deze personen een belangrijke rol zouden spelen in de verspreiding. Als dan blijkt dat dat in verpleeghuizen wel zo is, beïnvloedt de schaarste aan testmaterialen – althans zo lijkt het – de bredere interpretatie van zo’n onderzoek voor de rest van de samenleving. De wetenschap signaleert niet, de politiek wordt niet aangezet om meer testcapaciteit in te kopen. En zo geldt dat ook voor het management van de voorraden persoonlijke beschermingsmiddelen, het aanhouden en op tijd uitbreiden van voldoende capaciteit voor het bron- en contactonderzoek en doorvoeren van preventieve maatregelen in de samenleving. In de corona aanpak in Nederland is de grens tussen politiek en wetenschap zo flinterdun, dat je je af kunt vragen waar het ene begint, en het andere eindigt.

Capaciteitstekorten beïnvloedden het OMT advies over mondmaskers en de indicaties voor het testbeleid. Economische consequenties beïnvloedden de risicoinschatting voor de luchtvaart. RIVM en OMT wilden evidence-based te werk gaan, maar die evidence was vaak dun. Bovendien werd buitenlands onderzoek gewantrouwd of miskend in verband met ‘cultuurverschillen’. Als het geen crisis was geweest en we slechts in het medisch laboratorium met corona te maken zouden hebben, zouden we tijd hebben gehad om te wachten op Nederlandse inzichten. Maar de samenleving is geen laboratorium. Corona grijpt om zich heen. En iedere dag dat getwijfeld wordt inzichten uit andere landen voorlopig als plausibel aan te nemen, kost dat levens.

Waar onvoldoende wetenschappelijk bewijs is, kan het OMT ook het voorzorgsprincipe hanteren. Als we in de landen om ons heen zien dat een maatregel redelijkerwijs effectief lijkt te zijn, kunnen we óf wachten tot het bewezen is ten koste van vele levens en de economie, óf we voeren het toch in en wijzigen beleid zo nodig als er nieuwe informatie is. Of eigenlijk moet het kabinet die keuze zelf maken. Laat het OMT de wetenschappelijke kant belichten en aan het kabinet een gewogen analyse geven van zowel binnen- als buitenlands onderzoek. De morele en politieke afwegingen liggen dan weer waar ze horen.

Corona is niet van ons, maar van de experts

Het beleid schiet alle kanten op. Wij, burgers, lijken niets te kunnen doen of bijdragen om verspreiding tegen te gaan. Bovendien lijkt dat niet de bedoeling. Wat is het doel eigenlijk?

Beste Minister President, beste Hugo de Jonge,

In China worden mensen ernstig ziek van corona, maar het is onwaarschijnlijk dat het zich in Nederland ook op zo’n schaal zal verspreiden. Corona lijkt op een fikse griep. Het treft vooral ouderen. Jonge mensen worden nauwelijks ziek. Kinderen lijken geen corona te kunnen krijgen en als ze het krijgen, worden ze er meestal niet ziek van. Kinderen verspreiden corona nauwelijks. We moeten het allemaal krijgen, om zo een beschermend muurtje om de kwetsbaren te bouwen en hen te beschermen voor corona.

Een greep uit de uitspraken aan het begin van de uitbraak in Nederland. Sommige uitspraken zijn inmiddels genuanceerd, of teruggedraaid, maar die stellige uitspraken van toen, zijn blijven hangen. Bewust of onbewust, we spelen allemaal nog met die gedachten. We hopen dat het toch meevalt. We nemen risico’s. Het leven moet ook doorgaan. En het kabinet stimuleert enig risicovol gedrag omdat de samenleving moet draaien.

Corona is ver bij ons vandaan gehouden. Door de maatregelen, maar ook door ons steeds met onze neuzen op het feit te drukken dat we geen virologen zijn. Niet-virologen begrijpen corona niet. We moeten luisteren naar de experts. We mogen er geen mening over hebben. En in de media lijkt het thema corona op een continue stroom van wetenschappelijke debatten. Corona is niet van ons. Het is van de wetenschap, de experts en de politiek. In laboratorium Nederland kan de overheid het virus zich langzaam over een gewenst deel van de bevolking laten verspreiden en die kraan naar believen open en dicht draaien. We hebben een dashboard met metertjes, wiskundige modellen, statistieken met data waar de meeste mensen niets van begrijpen. De burger kan hier geen invloed op uitoefenen. De uitspraak ‘groepsimmuniteit’ houden we stevig vast in onze achterhoofden. Moeten we nu wel, of niet besmet raken?

Corona is ingewikkeld. De regels zijn complex. Zeker voor jongeren. In het bijzonder voor hen jonger dan 18 jaar. Het beleid schiet alle kanten op. Wij, burgers, lijken niets te kunnen doen of bijdragen om verspreiding tegen te gaan. Bovendien lijkt dat niet de bedoeling. Wat is het doel eigenlijk? De IC’s mogen niet overbelast raken. Daar heeft de burger geen inzicht in. In de media verschijnen noodkreten: de GGD’en kunnen het BCO niet aan, de IC’s kunnen nog niet op volle kracht draaien. Een paar uur later volgt een bericht dat het allemaal onder controle is. Intussen luisteren we niet meer. Corona is niet van ons, maar van de experts.

Er heerst verwarring. We vallen terug op onszelf. We schatten zelf de risico’s in. Sommigen blijven angstig thuis. Anderen willen juist de risico’s negeren. Corona bestaat niet. Beiden tappen uit hetzelfde vaatje: onzekerheid. In tijden van rust is er mogelijkheid om in de wetenschap lang te twijfelen, te onderzoeken, te debatteren en naar sluitend bewijs te zoeken. In tijden van crisis moet de overheid niet in de wetenschappelijke leunstoel blijven draaien, maar durven handelen. Snel kunnen schakelen. Een gebrek aan inzicht durven bespreken. Fouten durven toegeven. Empathie en ernst tonen. Maar bovenal: de burger met zich meenemen. Zet een koers uit, formuleer de eindbestemming en gebruik de navigatie om er te komen. In het navigatiesysteem in Nederland, is geen eindbestemming ingevoerd. We zien waar we vandaan komen en waar we nu zijn, maar niet waar we naartoe moeten en welke wegopbrekingen we onderweg tegenkomen. We rijden met maximale snelheid door.

De politiek zoekt steeds het uiterste randje van de marges op. In het laboratorium hou je dan misschien nog zicht op de verspreiding, maar op de openbare weg zijn er andere weggebruikers. Sommigen rijden te snel. Sommigen snijden ons af. Sommigen rijden roekeloos. Voordat we de weg op gaan, kunnen we deze factoren niet inschatten. Menselijk gedrag is onvoorspelbaar. Als de overheid steeds aan de uiterste rand van de marge zit en de burger zoekt op haar beurt ook naar het uiterste, gebeurt het onvermijdelijke: niemand heeft meer grip op de situatie. Dat is wat we in Nederland zien gebeuren. Dan is het tijd de koers bij te stellen; een nieuwe route uit te stippelen en de hele stoet duidelijk te maken waar we naartoe gaan.

Waar de overheid de burger op de route weer terug kan vinden, heb ik als volgt aanbevolen aan VWS:
• Wijs niet met de beschuldigende vinger, maar stimuleer gewenst gedrag. Vergroot de testbereidheid, verander de quarantainementaliteit (zet in op zowel intrinsieke als extrinsieke motivatie) en leg het belang van BCO duidelijk uit aan de bevolking.
• Toon sterk leiderschap. Het VVD ideaal ‘eigen verantwoordelijkheid’ geeft teveel ruimte voor interpretatie en risicovol gedrag. Niet de experts, maar verkozen politici staan aan het roer en kiezen voor een ‘better safe than sorry’ benadering, zoals dat ook van de burger wordt verwacht.
• Stel niet het gedrag van het virus, maar het gedrag van de mogelijke drager in de aanpak en communicatie centraal. Neem bezwaren weg. Gedragswetenschap zou een belangrijker en vast onderdeel moeten zijn van het OMT. Houd 24/7 een vinger aan de pols en peil continu de sentimenten in de samenleving.
• Afwegingen van het OMT moeten openbaar worden. Laat zien dat de overheid ook meekijkt en zich van verschillende kanten laat informeren over de wetenschappelijke stand van zaken. Maak burgers duidelijk wat die stand van zaken is in een wekelijks bijpraatuurtje in de media.

Maak burgers duidelijk wat die stand van zaken is in een wekelijks bijpraatuurtje in de media voor laaggeschoolden en mensen die snel op de hoogte willen zijn. Zoek daarnaast meerdere keren per week verbinding met de burger en bespreek moeilijke thema’s: Hoe werkt een virus? Wat betekent COVID-19 voor jongeren/ouderen/zieken/baby’s. Wat is een cluster en
wat is superverspreiding? Wat is de stand van zaken rond mondmaskers? Maar ook ingaan op prangende vragen. Nodig mensen uit die C19 hebben gehad om ze een gezicht te geven. Creëer een volledig betrokken en opgeleide samenleving.

• Daag de vaste groep van experts uit door kritische wetenschappers aannames steeds te laten falsificeren. Maak dit openbaar en maak van Nederland geen eiland: Voorkom tunnelvisie en een te smalle kijk door bijvoorbeeld een breder scala aan buitenlandse onderzoeken te raadplegen. Communiceer naar de burger dat ook de ontwikkelingen in het buitenland nauwlettend gevolgd worden en diskwalificeer wetenschappelijke bevindingen uit buitenlanden niet zonder goede argumenten.
• Wetenschap is het hart van de aanpak. Dat is belangrijk, maar zorg ervoor dat corona niet te abstract en te wetenschappelijk benadert wordt. Er is weinig begrip van het virus, zeker onder de jongere generaties. Vergroot kennis zonder het ingewikkeld te maken, door verschillende kanalen te gebruiken om iedereen te bereiken. Investeer veel in het verhogen van het bewustzijn. ‘Laagdrempelig’ moet het sleutelwoord worden, zowel in aanpak als communicatie. Zodra naleving verslapt, intensiveert de campagne ter bevordering van medewerking. Wees niet te positief over naleving als er nog steeds verspreiding is. Dat maakt verspreiding ongrijpbaar en veroorzaakt speculatie en complottheorieën.
• Vermijd te grote stelligheid waar wetenschappelijke onzekerheid is. Dit maakt veranderen van beleid, wat toch soms noodzakelijk zal zijn, tijdrovend en wellicht onhaalbaar.
• Vermijd termen die in de wetenschap acceptabel zijn, maar op burgers ook een psychologisch effect hebben, zoals ‘groepsimmuniteit’ en ‘schijnveiligheid’.
• Vermijd het kweken van selffulfilling prophecies: bijv. verwijzingen naar de eigenwijze cultuur, de volksaard en waarom we bepaalde maatregelen niet, of niet lang zouden kunnen volhouden. Speel in op ons menselijk gedrag en stel onze primaire levensbehoefte aan veiligheid centraal.
• Er is een zwak gevoel van urgentie onder de bevolking. Een overheid die urgentie uitstraalt, stimuleert burgers die urgentie te voelen.
• Er heerst onder velen nog het idee dat immuniteit opbouwen gewenst is, ontkracht dit en laat in de strategie zien dat natuurlijke immuniteit geen rol (meer) speelt.
• Er is geen duidelijk doel, waar mensen aan mee kunnen werken. Stel duidelijke, haalbare doelen.
• Corona staat te ver van ons af. In de persconferenties ontbreekt empathie en wordt weinig stilgestaan bij ziekte en sterven. Besteed hier in iedere communicatie aandacht aan.
• De overheid is niet open en niet transparant. Cijfers en data zijn onvolledig, onbegrijpelijk en wijzigen vaak zonder toelichting. Datzelfde geldt voor de capaciteit van de uitvoerende instanties. Dit wekt bij velen de indruk voorgelogen te worden, geeft ruimte tot interpreteren en het zelf inschatten van risico’s. Gedrag is dan moeilijk te sturen.
• Neem zorgen onder de bevolking serieus. In het bijzonder die van hoogrisicogroepen. Het huidige beleid sluit de hoogrisicogroepen uit. Velen zitten nog in zelfisolatie, een belangrijke reden waarom de ziekenhuisopnamen nog laag blijven. De vraag is hoe lang zij dit kunnen volhouden. De overheid is niet actief bij deze groepen betrokken. Bovendien heeft de overheid geen inzicht in hun gedrag. Hoe lang kunnen zij zich nog blijven isoleren? Niet alleen wat betreft hun sociale behoeften, maar ook mbt eisen die de maatschappij straks weer aan hen stelt. Heeft de overheid in beeld hoeveel grootouders op de kleinkinderen moeten passen? Is zij in gesprek met de kinderopvang om capaciteit uit te breiden? Welke alternatieven kan de overheid op korte termijn bieden? Beschermt de overheid werknemers in hoogrisicogroepen tegen ontslag als zij niet fysiek op hun werkplek aanwezig kunnen zijn? Hoe gaat de overheid om met de schoolplicht van kinderen in hoogrisicogroepen, of van kinderen met een of twee ouders in een hoogrisicogroep? Stel deze mensen in staat zichzelf tegen besmetting te beschermen maar stel hen ook een vooruitzicht en tref voorzieningen.
• Maak corona van ons allemaal, ook al zijn burgers geen virologen. Laat de boodschap zijn: we kunnen corona wel bestrijden. We kunnen begrijpen wat corona is. Laat het voor ons allen duidelijk zijn hoe en waarom we corona bestrijden, wat ons doel is en hoe wij ons steentje moeten bijdragen. Richt een platform op om alle noodzakelijke boodschappen uit de samenleving te ontvangen. Waar knelt het? Hoe kunnen we het oplossen? Laat ons meedenken en hoor onze vertegenwoordigers actief uit. Alleen samen kunnen we corona bestrijden. Een boodschap die ook de overheid zich nog ter harte moet nemen.
• Ter afsluiting de woorden van Dr. Myke Ryan van de WHO: ‘Move fast, no regrets, only way 2 beat the virus.’

Hopend op uw wijsheid en leiderschap, verblijf ik,

Hoogachtend,
Ginny Mooy

Corona in Nederland: groene grassprietjes of een recipe for disaster?

Als we iets hebben kunnen leren van ebola, is het dat mensen – hoe dodelijk zo’n virus ook is – pas stoppen met risico’s nemen, als ze daartoe gedwongen worden.

In december 2014 stond ik in één van Sierra Leone’s meest dichtbevolkte sloppenwijken, met mijn voeten letterlijk in de ebola klei. Met een grote groep vrijwilligers kwam ik daar met noodpakketten voedsel en om preventiemaatregelen uit te leggen aan mensen in quarantaine. Het was vlak voor Kerstmis. Ebola was er op haar hoogtepunt. De bevolking was ebola-moe. Ze wilden feestvieren, kerstinkopen doen, doorgaan met leven, niet meer met ebola bezig hoeven zijn.

Buurtbewoners stuurden me naar een compound, waar bijna 70 mensen in vier grote huizen bij elkaar woonden. In deze compound zaten tientallen zieke mensen. Die ochtend waren er 17 doden opgehaald door het ebola-begrafenisteam. Een jonge vrouw zat daar op haar hurken heen en weer te wiegen, met haar ogen gesloten, haar armen als in een omhelzing om haar schouders gevouwen. “Zij is de schuldige!” riep een oudere vrouw met schelle stem. De woede weerklonk over het hele getto. Ik ging op mijn hurken voor de jonge vrouw zitten, op ruim twee meter afstand. Ze knikte met haar hoofd, haar ogen nog steeds gesloten. “Ik heb ze allemaal vermoord,” zei ze. Haar stem was vlak, maar de emotie spatte uit alle vezels van haar lichaam. Ze had het niet expres gedaan, legde ze uit. Ze geloofde gewoon niet in ebola. Terwijl in de compound schuin tegenover haar eigen huis al 58 mensen aan de ziekte waren gestorven, had ze zich gewoon niet kunnen voorstellen dat het ook haar zou kunnen overkomen.

Haar vriend, die even hogerop de heuvel apart van haar woonde, was ziek geworden. Hij zat in quarantaine. Haar eigen compound ook, maar die quarantaine was eigenlijk alleen preventief. Niemand was ziek. Dus sloop ze ’s nachts onder het lint door om haar vriend eten te brengen en hem te verzorgen. Toen ze hem op een ochtend dood aantrof in zijn kamer, hield ze hem in haar armen. Enkele dagen later werd ze zelf ziek. Niet heel ernstig, maar wel ziek. De angst voor ebola spookte door haar hoofd, maar ergens kon ze zich niet voorstellen dat ze besmet was geraakt. En ze was bang voor de reacties van haar familie. Dus hield ze het zo goed mogelijk verborgen. Het ene na het andere familielid werd ziek. Ernstig. Toen ebola in haar compound eenmaal was uitgeraasd, waren er 64 familieleden en medebewoners overleden.

Ebola en corona zijn in veel opzichten niet met elkaar te vergelijken. En toch heb ik de afgelopen weken vaak het gevoel in exact dezelfde nachtmerrie te zijn beland. Het mogen dan heel verschillende virussen zijn, met een groot verschil in morbiditeit; het effect op de samenleving is exact hetzelfde en menselijk gedrag blijft menselijk gedrag. Het hele scenario wat wij nu met de coronacrisis meemaken, heb ik eerder gezien.

De ontkenning, het optimisme, de drang naar positieve interpretatie, de hoop, het tegen beter weten in handelen, de vrees om ingrijpende maatregelen te nemen, het verhullen van de waarheid, het gegoochel met cijfertjes. Je zou de toespraken van Rutte 1 op 1 over die van de toenmalige president van Sierra Leone Koroma kunnen plakken. Er zit nauwelijks verschil in. De initiële nonchalance, de ontspannen ‘alles onder controle’ glimlach bij persconferenties, ook president Koroma benaderde zijn volk op die manier. Hoe heftiger de uitbraak werd, hoe minder er viel te verhullen, hoe meer ook de stress bij de president toenam, zoals we dat nu ook bij premier Rutte zien gebeuren.

In West-Afrika sloeg ebola het hardst toe, toen de besmette landen het idee hadden de verspreiding zo’n beetje onder controle te hebben. Toen kwam de ziekte in de overbevolkte steden aan en kwam er een lawine aan nieuwe gevallen. In zijn toespraak aan Nederland liet premier Rutte gisteren weten dat er enkele ‘groene grassprietjes’ zijn. En dat geluid horen we eigenlijk al de hele week. De maatregelen van twee weken geleden lijken effect te hebben. Het RIVM ziet een afvlakking. In Noord-Brabant zijn er minder besmettingen. Het ziet er hoopvol uit. Op de kaart zie ik echter een alarmerende verschuiving van epicentra ontstaan. Onder andere Rotterdam en Amsterdam en omgeving noteren steeds meer coronagevallen. De alarmbellen van toen, in Freetown, rinkelen kei- en keihard.

Een verspreiding van zo’n besmettelijk virus in dichtbevolkte steden, heeft een totaal andere dynamiek en snelheid dan in een gebied als Noord-Brabant. De leefomstandigheden in de steden verschillen sterk van die in de provincies en ook het gedrag en de sociale binding die mensen met hun omgeving hebben, zijn niet met elkaar te vergelijken. Woongroepen, grote gezinnen en woonruimtes met gedeelde voorzieningen, vormen een groot risico op clusterbesmettingen: vele zieken in één huishouden, geen mogelijkheid tot quarantaine en een grotere sociale afstand van bijvoorbeeld buren, die zieke gezinnen
zouden kunnen helpen.

Afgezien van de – nog steeds veel te grote groep – mensen die zich niets van corona aantrekken, zijn er zeker in de grote steden veel mensen, die zich niet aan de coronamaatregelen kúnnen houden. Een huishouden met een klein budget kan zich niet voorbereiden op een wekenlange quarantaine. Wie geen goede band heeft met de buren, kan er geen beroep op doen om boodschappen te halen. De minst zieke bewoners zullen dan toch naar buiten moeten. Die dwarse oudere dame die bij de groenteboer toch net even te dicht langs moet lopen, de man die ‘schijt aan corona’ toch per se over het midden van de stoep moet lopen, die ene moeder die haar kinderen gewoon niet in bedwang heeft, zij geven corona weer door aan hun eigen huishoudens.

Hoe langer de coronamaatregelen van kracht zijn, hoe lakser we worden, zo zit de mens nu eenmaal in elkaar. Het is op dat moment, dat het virus het hardst om zich heen zal grijpen. Niet omdat we niet willen meewerken, maar omdat we het terloops vergeten, of omdat we wel naar de winkel móeten. Omdat mensen het ziek zijn ontkennen en toch naar buiten gaan. Omdat we diep in onze harten steeds maar blijven hopen dat het allemaal wel mee zal vallen.

Het is dat constante balanceren tussen hoop en vrees, waardoor we die eerste kriebels in de keel ook aan onszelf willen blijven ontkennen. En die ontkenning gaat, zo is zovele malen al met zulke dramatische gevolgen gebleken, gepaard met overmoedig gedrag. Als je het maar hard genoeg blijft ontkennen, is het geen corona. We gaan naar buiten. Tegen beter weten in. Tenzij we zichtbaar ziek zijn, zullen velen van ons de beginnende corona blijven verstoppen. Niet uit kwaadaardigheid, maar uit angst.

In een andere sloppenwijk in Sierra Leone zat ik, op gepaste afstand, naast een stervende man van 76. Hij was blij dat hij zou sterven, ook al had hij helse pijn. Het was bij hem begonnen, de ebola. Hij had het ergens gevoeld, vertelde hij. Hij vreesde het. Maar toch was hij ervan overtuigd dat het niet waar kon zijn. Hij ging gewoon naast zijn vrouw in bed liggen, met dat spokende stemmetje in zijn hoofd. Hij was als kind al verliefd op haar geweest, vertelde hij. Vanaf zijn vijftiende waren ze samen. Ze hadden samen de oorlog overleefd, honger, drie doodgeboren kinderen en het verlies van vier kinderen op jonge leeftijd. De ebola deed hem minder pijn dan zijn geweten. Hij had haar besmet. Ze was binnen enkele dagen dood. Het verdriet brak hem, maar ook zijn weerstand. Ebola verloste hem van een leven dat voor hem pijnlijker was geworden, dan die helse ziekte zelf.

Het vertrouwen van onze minister-president in onze eigen verantwoordelijkheid is een bijzonder goed. In tijden van relatieve rust. In tijden van crisis kan dit echter de maas zijn, waardoor corona dichter en dichter bij ons kruipt. In West-Afrika kwam ebola pas onder controle toen de overheden échte maatregelen namen. Corona is nieuw en overvalt ons. Onze overheden weifelen net zo lang als die van de ebolalanden van toen. We kunnen echter onze ogen niet blijven sluiten voor de beelden van de wereld om ons heen. De lijkkisten, de vele urnen, de dramatische beelden van ic’s in andere landen.

Natuurlijk hoop ook ik, dat die grassprietjes duiden op een rooskleurige nabije toekomst en dat dat soort dingen als bij een wonder bespaard zullen blijven. Maar niemand, ook het RIVM niet, heeft er enig idee van waar precies de incubatie wordt uitgezeten en waar het straks tot uitbarsting komt. We meten niet. We hebben geen idee wie besmet raakt, waar dat is gebeurd en waar het mee naartoe wordt genomen. Volle passagiersvliegtuigen uit coronabrandhaarden, epicentra in grote steden, het lijkt een recipe for disaster. Het enige wat corona nu nog tot halt kan brengen, is een einde aan dat balanceren tussen hoop en vrees.

Harde maatregelen maken een einde aan die twijfel in onszelf. Als we namelijk iets hebben kunnen leren van ebola, is het dat mensen – hoe dodelijk zo’n virus ook is – pas stoppen met risico’s nemen, als ze daartoe gedwongen worden.