Hoe de overheid complotdenken over corona aandrijft

Tijdens deze pandemie zien we wereldwijd een grote drang naar het vergaren van zoveel mogelijk informatie. Zeker als mensen een hoge mate van onzekerheid ervaren en niet makkelijk toegang hebben tot betrouwbare informatie, is de zucht naar het zoeken naar informatie groot. Veel mensen zijn actiever op de sociale media, lezen wetenschappelijke informatie buiten hun eigen vakgebied of begripsniveau en zoeken naar gelijkgestemden om ideeën en visies mee uit te wisselen. Het leidt tot meningsverschillen, ruzies, maar ook tot verbroedering en het vormen van complot- en actiegroepen. In landen waar overheden zelf belangrijke verspreiders van mis- of desinformatie zijn (zoals Nederland) is er meer impuls tot dergelijke bewegingen.

We worden overspoeld met informatie. Wie goed van alles op de hoogte wil blijven, heeft daar bijna een dagtaak aan. Het grote plaatje overzien, is voor mensen met een baan, school, het huishouden, sport, ontspanning en de zorg voor anderen welhaast onmogelijk. De meeste mensen kunnen zich daarom slechts ontfermen over hun eigen situatie. Zorgen en praktische problemen zijn voor velen acuut.

Overconsumptie van media informatie gerelateerd aan COVID-19 vergroot de onzekerheid: mensen ervaren meer ongerustheid, angst, stress en zelfs gevoelens van depressie. Om gevoelens van onrust en ongewenste gedragsverandering te beperken, moet de overheid meer de regie nemen en ervoor zorgdragen dat burgers altijd in begrijpelijke taal beschikking hebben over de nieuwste informatie; informatie die niet onverklaarbaar afwijkt van de dan geldende gangbare internationale denkwijzen en waarbij steeds duidelijk wordt uitgelegd waar nog onzekerheid over is en waarom dat zo is.

We begrijpen ‘corona’ helemaal niet

Wat wij in Nederland ‘corona’ noemen, is een nieuw virus welke een nieuwe ziekte veroorzaakt. Maar hoezo is ‘corona’ nieuw? Want coronavirussen bestaan al heel lang. Voor veel mensen is ‘corona’ gewoon een variant op de ons bekende coronavirussen (een zware verkoudheid) of een nieuw soort ‘griep’, voornamelijk gevaarlijk voor oudere mensen en mensen met een ‘zwakke gezondheid’.

‘Corona’ beheerst ons hele leven en toch begrijpen we er maar weinig van. Ergens logisch, want ook de wetenschap ‘weet’ nog niet veel van dit nieuwe virus. Maar de hele simpele basis zou toch eenvoudig te communiceren moeten zijn. Dit virus is inderdaad een coronavirus, maar een nieuwe variant. Deze nieuwe variant (SARS-CoV-2) veroorzaakt een nieuwe ziekte (COVID-19). Het ziektebeeld lijkt inderdaad op dat van een verkoudheid, maar dat wij het verschil tussen een ‘gewone’ verkoudheid en corona niet kunnen aanvoelen, begrijpen veel mensen niet, of willen dat niet begrijpen, wat ruimte biedt om de risicomarge wat ruimer te maken. ‘Het zal wel een verkoudheid zijn.’ Sommige mensen blijven thuis en laten zich testen, de meeste mensen echter niet.

Daarnaast is er een groep mensen die ‘niet meer mee wil doen’ en doelbewust met COVID-achtige klachten onder de mensen gaan. Sommigen van hen geloven niet in het bestaan van deze nieuwe ziekte en sommigen geloven niet dat ze daadwerkelijk een ander persoon zullen besmetten. ‘Het beschermende muurtje’ betekent voor hen dat ‘kwetsbare’ mensen zichzelf tegen besmetting moeten beschermen, als ze dat willen. Na negen maanden coronacrisis steekt in de Nederlandse media nog bijna wekelijks de kop op dat een tweestromensamenleving mogelijk en wenselijk zou zijn: kwetsbaren krijgen een veilige, covidvrije zone en de jongere, niet ‘kwetsbare’ burgers kunnen zich dan weer vrij in de samenleving bewegen.

Vele discussies en onrealistische denkbeelden zouden makkelijk te ontkrachten zijn, door meer informatie te geven. Nu blijft het leed van coronaslachtoffers in Nederland grotendeels verborgen: in de media, maar ook in overheidstoespraken wordt weinig aandacht besteed aan de (langdurig) zieken en gestorvenen. Aangezien nog veel Nederlands zelf niemand kennen die (ernstig) ziek is geworden van COVID-19, blijft de crisis voor hen ook ongrijpbaar.

Door weinig aandacht te besteden aan de gevolgen voor de mensen in risicogroepen en na te laten de grote onderlinge verbondenheid en verwevenheid tussen alle mensen in de samenleving uit te leggen, houdt de overheid de illusie dat een tweestromensamenleving überhaupt mogelijk zou zijn in stand. Het ‘beschermende muurtje’ is in de praktijk onmogelijk gebleken. Toch refereert de overheid hier in persconferenties nog steeds aan en geeft daarmee teveel stof tot discussie.

De overheid als verspreider van misinformatie

Niet alleen geeft de overheid teveel ruimte voor discussie en speculatie, de Nederlandse overheid en de overheidsinstituten zijn tijdens de epidemie in Nederland de grootste verspreiders van misinformatie gebleken. Toen wereldwijd over een pandemie werd gesproken en een virus met veel ernstiger ziektebeeld en gevolgen dan influenza, sprak premier Rutte in persconferenties nog altijd over ‘een griepje’. En waar vele landen vergaande maatregelen troffen om het virus buiten de landsgrenzen te houden, grapte de premier in een televisie interview dat handen schudden geen enkel gevaar opleverde. De behoefte aan meer informatie werd daar gecreëerd.

Sinds die eerste overheidsboodschappen over SARS-CoV-2 heeft de overheid vaker (via ministers, maar ook via de overheidsinstituten) informatie verspreid die haaks staat op internationale bevindingen en ervaringen. Op het gebied van mondneusmaskers voor het publiek bijvoorbeeld, in richtlijnen voor zorgmedewerkers en met betrekking tot de bevattelijkheid en besmettelijkheid van kinderen. De symptomenlijst op de website van het RIVM wijkt af van internationale lijsten. Datzelfde geldt voor de identificatie van risicogroepen. OMT-voorzitter Jaap van Dissel haalde tijdens kamerbriefings meermaals reeds ontkrachte wetenschappelijke onderzoeken aan, verschillende OMT-leden treden naar buiten met inzichten die afwijken van onderzoeken uit buitenlanden en de overheid zegt in persconferenties deze inzichten te vertalen naar beleid.

Zonder een onuitputtelijke opsomming te willen geven: het valt veel burgers op dat de
(wetenschappelijke) informatie in Nederland vaak afwijkt van kennis die in andere landen wordt opgedaan. Soms wordt informatie gaandeweg stilletjes aangepast op websites van de rijksoverheid, het RIVM en de LCI. Dit wekt de indruk dat dingen verborgen worden gehouden. Dit leidt bij veel burgers tot een drang naar het zoeken van ‘kloppende informatie’, waarbij informatie vaak als ‘kloppend’ wordt beschouwd als het de eigen vermoedens of inzichten bevestigt.

Het coronabeleid schept verwarring

Hoewel de schijnwerper sterk gericht staat op alle excessen, is het wantrouwen in overheidsinformatie over corona groter en verspreid over een veel meer diverse groep Nederlanders: een op de tien Nederlanders gelooft dat er vieze spelletjes gespeeld worden, 7% gelooft dat grote bedrijven binnen de farmaceutische industrie opzettelijk ziektes verspreiden om medicijnen te kunnen verkopen, nog eens 7% gelooft dat het coronavirus is ontwikkeld door de Chinese overheid. Ruim 4% gelooft dat samen met het toekomstige vaccin een chip zal worden geïnjecteerd om mensen permanent te blijven volgen en 2% gelooft dat het virus een manier is om de effecten van 5G-torens te verdoezelen[1].

De corona-aanpak van het kabinet zorgt voor veel verwarring. Wat is nu het doel en wat is de strategie? Wat is ‘maximale controle’? En wat is eigenlijk ‘sturen op ziekenhuiscapaciteit? En is het nu wel of niet de bedoeling dat ‘jonge, gezonde mensen’ besmet raken? Hoe bereiken we die groepsimmuniteit als we anderhalve meter afstand moeten houden? Waarom kunnen die ‘kwetsbare’ mensen zich maar niet afschermen? Moet de jongere bevolking daar echt onder lijden? Het leven zou gewoon door kunnen gaan, (bijna) zoals normaal, als die groepen ervoor zorgen dat zij niet besmet raken. Videobellen met opa en oma en in de tuin op bezoek en we zijn een eind op weg naar groepsimmuniteit. En ‘kwetsbaren’ moeten toch zelf kunnen bepalen of ze het risico op besmetting en ziekte willen aanvaarden?

Het beeld dat hier wordt geschetst is geen ‘eigenwijze’ misinterpretatie van ‘asociale mensen’, maar de officiële Nederlandse strategie. Rutte heeft geen tweede toespraak gehouden, waarin deze strategie herzien werd. Sterker nog; bij iedere persconferentie spreken premier Rutte en minister De Jonge nog altijd over ‘maximale controle’, beschermen van de kwetsbaren en ‘de zorg niet overbelasten’, terwijl premier Rutte tegelijkertijd ontkent ooit een toespraak te hebben gehouden over groepsimmuniteit. Het onderwerp was meermaals onderdeel van lange kamerdebatten en werd nooit duidelijkheid gegeven. Het blijft voor zowel de bevolking, als voor vele Tweede Kamerleden nog altijd onduidelijk welk doel de overheid nu nastreeft. Dit geeft aanleiding tot gevoelens van wantrouwen, of het gevoel ‘voorgelogen te worden’. Veel burgers hebben zelfs het gevoel gedwongen mee te werken aan een (bio)medisch experiment.

De infodemic risk

Het vergaren van online informatie zeker niet zonder risico’s: binnen echokamers en filterbubbels horen we steeds dezelfde perspectieven op de zaak, waarbij geruchten en ander onbetrouwbaar nieuws zich snel verspreiden. Vooral in deze tijden van stress en gevoelde schaarste zijn we minder in staat om informatie te beoordelen op hun betrouwbaarheid. We worden makkelijker beïnvloedbaar door desinformatie. Uit onderzoeken blijkt dat een meerderheid van de mensen vaak (online) wordt blootgesteld aan bekende geruchten over COVID-19. We worden geacht kaf van koren te kunnen onderscheiden en informatie goed in te kunnen schatten, zonder daarvoor hulpmiddelen te krijgen of met gedragswetenschappelijk ingericht communicatiebeleid.

In de overheidscommunicatie lijkt er amper aandacht voor de rol van digitale communicatie in de verspreiding van foutieve informatie (de zogeheten ‘infodemic risk’). Sterker nog, de overheid schiet zelf tekort op een aantal kernregels van risicocommunicatie: bijvoorbeeld erkennen wanneer je iets nog niet goed weet, duidelijk toegeven als je vergissingen hebt gemaakt, en het bieden van enig perspectief.

In een samenleving die zo sterk streeft naar duidelijkheid, geven informatiegaten hoge ‘infodemic risks’. Informatiegaten (of ‘data voids’) zijn plekken waar in snel tempo veel zorgen ontstaan, terwijl er nog weinig feiten online staan. Hier verspreiden geruchten zich snel, of erger: bewuste desinformatieverspreiders springen in die gaten. Er wordt momenteel gebouwd aan dashboards die snel dit soort plekken op het internet lokaliseren, zodat tijdig kan worden ingegrepen. In Nederland is de naar informatie zoekende burger grofweg in drie categorieën onder te verdelen:

  1. Mensen die voornamelijk kabinetsbeleid ondersteunende informatie lezen en delen.
  2. Mensen die voornamelijk informatie delen en lezen waaruit blijkt dat overheidsbeleid te laks is en de ernst van de situatie wordt onderschat.
  3. Mensen die voornamelijk informatie delen en lezen waaruit blijkt dat overheidsbeleid te streng is en de ernst van de situatie wordt overschat.

‘Complotwappies’

Met name de laatste categorie heeft een onevenredig groot aandeel in de verspreiding van desinformatie en wordt dit door hen tevens ingezet als propagandamiddel om zich te verzetten tegen coronabeleid van het kabinet. In de volksmond wordt aan deze groep gerefereerd onder de term ‘complotwappies’ of ‘covidioten’. Dit zijn paraplutermen voor zowel ontkenners van het virus (corona is een hoax) als voorstanders van ‘uit laten razen’ (‘corona is geen killervirus’).

De ‘complotwappies’, complotdenkers of ‘kritische denkers’ vallen uiteen in een aantal groepen:

  1. Mensen die overheidsinformatie wantrouwen en zelf naar alternatieve informatie zoeken.
  2. Mensen die via social media actief campagne voeren tegen de coronamaatregelen. Deze groep vindt vooral aansluiting bij de burger/expertgroep RedTeam, de actiegroep Containtment.nu (actiegroep voor een indambeleid) (mensen die vinden dat de overheid te weinig doet om het virus te bestrijden) of bij coronabetrokkenen met een ‘alternatieve visie’ als Maurice de Hond, Ira Helsloot, Robin Fransman, Wouter Keller, Hans Koppies, Robert Jensen, Lange Frans en Wybren van Haga (mensen die vinden dat de overheid het virus vrij moet verspreiden, zonder maatregelen te treffen), die een alternatieve visie bieden op de gangbare wetenschappelijke visies op SARS-CoV-2.
  3. Mensen die sympathiseren met of lid zijn van de actiegroep Viruswaarheid onder leiding van Willem Engel. Deze groep ontstond uit corona-sceptici, die onder de slogan ‘liefde en geduld’ bezwaar aantekende tegen de in hun ogen vergaande maatregelen
    coronamaatregelen, zich wilde verzetten tegen ‘het nieuwe normaal’ en de macht van de ‘Big Pharma’. De groep organiseerde demonstraties en protesten die in de loop der tijd meer gingen lijken op door de overheid verboden evenementen uit de party scene, dan een ideologische missie. De actiegroep won met name in de zomermaanden veel sympathisanten, maar moest daarna aan invloed en bereik inleveren omdat de groep duidelijker de overtuiging naar buiten bracht dat corona een overheidscomplot zou zijn en in verband werd gebracht met hooligans en radicaal rechtse organisaties. De groep kwam in opspraak door radicale acties zoals telefonische doodsbedreigingen en scheldpartijen aan een woonzorgcentrum, het fotograferen en lastigvallen van mensen in GGD teststraten en het fysiek en telefonisch lastigvallen van schoolbestuurders vanwege de mondkapjesplicht in sommige middelbare scholen.

Polarisatie en verbinding
Wanneer gelijkgestemden onderwerpen met elkaar bespreken, hebben ze de neiging extremer te worden in hun overtuigingen, in plaats van gematigder. In Nederland zien we deze ontwikkeling met de golfbewegingen van de pandemie meebewegen. De aantallen mensen met een uitgesproken standpunt vóór of tegen maatregelen neemt toe. De samenleving polariseert: de ‘kwetsbaren’ die zich afschermen en de ‘niet kwetsbaren’ die doen of er niks aan de hand is. Je bent voor óf tegen mondkapjes. Voor óf tegen Rutte. Om de samenleving bijeen te houden, is het belangrijk deze polarisatie – net als het virus zelf – direct, snel en efficiënt te bestrijden. Preventie is de beste methode. Tussen twee uitersten zit de verbinding. We moeten het samen doen. Iedereen zit in hetzelfde schuitje. Voor een nog altijd onbekend virus, lopen we eigenlijk allemaal risico.

Een kleine groep verzet zich actief tegen het coronabeleid en probeert dit met kleine en grote acties te ondermijnen. Veruit de meeste sceptici echter houden zich aan de maatregelen, of hebben er respect voor als anderen zich er wel aan willen houden. Bij hen komt de argwaan vooral voort uit het gevoel dat er iets niet klopt, of doordat zij een grote discrepantie zien tussen de Nederlandse informatie over SARS-CoV-2 en informatie uit andere landen, of er een leefstijl op nahoudt waar risico-acceptatie een belangrijk onderdeel van uitmaakt.

Onderzoek tijdens de ebola epidemie in Sierra Leone leerde dat complotdenken vaak samengaat met een zwak vertrouwen in de overheid/overheidsinstanties, deviantie, angst voor inkomstenverlies en angst voor ontwrichting, vaak in combinatie met risico-acceptatie (‘ik accepteer het risico’ want ‘alles moet bij het oude blijven’ dus verwacht ik dat ‘iedereen het risico moet accepteren’). De situatie in Nederland toont grotendeels dezelfde motivaties, terwijl in Nederland ook de onderschattende rol en boodschappen van de overheid een belangrijke rol lijken te spelen. “Het is maar griep.” “Griep is net zo dodelijk.” De boodschappen van het allereerste uur, die met zoveel stelligheid werden gebracht[2], worden nu tegen de beleidsmakers gebruikt. De ernst  van de situatie is niet meer over te brengen.  

Goede informatievoorziening, zeker vanuit de overheid, is zeer belangrijk om de infodemie tegen te gaan. Maar ook wanneer de informatie gemakkelijk beschikbaar en beter te begrijpen zou zijn voor iedereen, zouden er complottheorieën ontstaan. Conspiracies over vaccins bijvoorbeeld, ontstaan meestal niet door een gebrek aan informatie. Vaak gaan ze niet over de immunologische feiten achter vaccins, maar over macht, identiteit, natuur en geschiedenis.[3] Besteed aandacht aan die diepere existentiële thema’s, in plaats van mensen met een betweterige toon te onderwijzen – wat vooral verzet oproept.

Transparantie en uitleg over het beleid, het doel en de strategie, is van wezenlijk belang. Waarom doen we wat we doen? Waarom doen we bepaalde dingen niet? Waarom verlaten we nu de routekaart en nemen we een afwijkende beslissing? Waarom wijkt informatie in Nederland af van informatie uit andere landen? Neem de zorgen van burgers serieus en ga erover in gesprek. Een relatief kleine investering, die veel verschil maakt. Mensen die begrijpen waarom bepaalde regels gelden, kunnen ook anderen erop wijzen en zo kan er een gedeelde gedragsnorm ontstaan ten gunste van de bestrijding van het virus.

Auteurs:
Ginny Mooy, Myrna Over, Karlijn Roex

De informatie in dit artikel is gebaseerd op antropologisch onderzoek naar de invloed van gedrag op de ontwikkeling van de coronapandemie. Het coronavirus verspreidt zich met name door gedrag. Niet alleen het gedrag van de bevolking speelt een belangrijke rol, maar ook dat van de overheid en haar adviseurs. Hoe beleidsmakers en burgers elkaar in gedrag beïnvloeden en versterken en daarmee de coronapandemie blijven opstoken, lees je in het onderzoeksrapport ‘Opnieuw Bruggen Bouwen’. Raadpleeg dit document tevens voor meer brontoelichting.


[1] Kieskompas: zin en onzin over het coronavirus (onderzoek van eind april tot begin mei 2020). 15 augustus 2020

[2] Expert overconfidence

[3] Eula Biss (2014). On Immunity. Graywolf Press.

Met Sinterklaas verspreidt corona zich ‘oh zo snel’

Op 12 oktober begon de herfstvakantie in vakantieregio noord. De tweede coronagolf dreigde toen als een tsunami de ziekenhuizen te overspoelen. De vakantie kwam net op tijd. De overheid stelde een gedeeltelijke lockdown in per 14 oktober en toen ook de vakantieregio’s midden en zuid op 17 oktober herfstvakantie kregen, daalde het aantal besmettingen vliegensvlug. De exponentiële groei leek gestopt, daling in de groei leek ingezet. Kabinet en media lonkten al snel weer naar ‘versoepelingen’.

Het optimistische gevoel dat kabinetsmaatregelen zouden hebben gewerkt verspreidde zich, exponentieel. Hoop doet leven. En toen ook twee vaccinontwikkelaars afgelopen week aankondigden dat hun vaccins meer dan negentig procent betrouwbaar zijn en op korte termijn geleverd kunnen worden, raakten met name kabinet en de media in jubelstemming. Bij het praatprogramma Op1 vertelde minister De Jonge, stralend – en misschien een tikkeltje zelfingenomen – dat dit de pandemie ineens totaal verandert. Hoewel het vaccin er nog niet is en zowel de mate als de duur van bescherming tegen besmetting èn de invloed op het ziektebeloop allerminst duidelijk zijn, zit de minister al in de volgende fase: de coronacrisis achter zich laten.

De minister probeert zijn enthousiasme over het vaccin over te brengen aan de bevolking: De Jonge vindt dat ook wij tegen elkaar moeten zeggen dat we in een hele bijzondere fase zijn aanbeland. Maar terwijl de minister op de drempel staat van “de volgende fase in de aanpak van de crisis”, stijgt het aantal positief geteste personen verder en lijkt de verspreiding zich weer te versnellen. Vanaf het hoogtepunt op 30 oktober (ruim 11.000 positieve tests op 1 dag) was er in 10 dagen tijd een razendsnelle daling (ruim 4,5 duizend op 9 november) om daarna weer te stijgen naar ruim 6 duizend (op 21 november) besmettingen per dag. Toch zijn kabinet en adviseurs met hun hoofd vooral in de fase waarin ‘we de coronacrisis achter ons kunnen laten’.

Het kabinet zegt wel te waken voor optimisme, maar kan toch niet onder stoelen of banken steken dat het zelf wel ‘klaar’ is met maatregelen nemen. Afgelopen woensdag zei De Jonge nog dat versoepelingen na 8 december mogelijk zijn, mits er maximaal 1200 besmettingen en 3 IC opnames per dag zijn. Op vrijdag bleek die ondergrens al fors opgeschroefd naar het hogere aantal van 3600 besmettingen en 10 IC opnames per dag. En terwijl de ziekenhuizen een nieuwe toename in patiënten pas over een week of 2 à 3 kunnen verwachten, mogen de restaurants vanaf half december waarschijnlijk weer open. En intenisivist Diederik Gommers mag dit jaar voor Sinterklaas spelen: hij mocht ‘voorspellen’ dat in februari waarschijnlijk evenementen en volle voetbalstadions weer mogen. Het kabinet en zijn adviseurs zijn de route van het perspectief ingeslagen, een zijweg op de pas geïntroduceerde routekaart blijkbaar, waar een dergelijk optimistisch scenario niet op terug te vinden is. Daarmee lijkt het kabinet in de fase van het delirium terecht te zijn gekomen: er is geen besef dat de daling met name door de herfstvakantie zo snel ging, het vaccin er helemaal nog niet is en we nog een feestmaand vol uitdagingen tegemoet gaan.

Helemaal blind voor de ontwikkelingen in de samenleving is het kabinet niet. De premier herinnerde ons er bij de laatste persconferentie aan dat ons gedrag wel een stuk beter kan. Maar hoewel het kabinet beweert zich zorgen te maken over de “spankracht van de samenleving”, maak ik me intussen bijzonder veel zorgen over de ‘spankracht’ bij het kabinet en zijn adviseurs. En terwijl De Jonge nog wat bezorgdheid uit dat we elkaar weleens een derde golf cadeau zouden kunnen geven met kerst, ben ik bezorgd dat het kabinet ons – met cadeautjes in de vorm van nog weer kortere quarantaineperiodes en een te aanstekelijk enthousiasme over vaccins die er nog niet zijn en met nog onbekende (bij)werking – een nieuwe opleving cadeau geeft met sinterklaas.

De scholen zijn open, zonder restricties. Dat het aantal positieve tests na een korte periode van daling, opnieuw toeneemt en vooral onder jongeren, wil ons zeggen dat de aanvankelijke neergang van de tweede golf vooral te danken was aan de herfstvakantie.

Pakjesavond is nog geen twee weken van ons verwijderd. Dat is op sommige plekken goed te zien in de winkelstraten. Zeker na een langdurige periode van stress, onzekerheid en restricties hebben mensen behoefte aan zo’n zalig avondje. Met alle positieve ontwikkelingen en de feeststemming bij sommige politici en adviseurs, groeit bij velen het gevoel: het kan wel. Dat het aantal besmettingen weer toeneemt ontgaat velen. We horen vooral wat we willen horen. Veel mensen zijn coronamoe. Zo ook het kabinet, lijkt het. En hoewel het allemaal zo logisch is en dat er gewoon bij hoort tijdens zo’n pandemie, heeft die coronamoeheid wel invloed op ons gedrag. Het kabinet zou zich moeten realiseren dat gedrag besmettelijker is dan het SARS-CoV-2 virus en dat het optimisme van politici ook zeer aanstekelijk werkt. Voor wie coronamoe is, lijkt de pandemie eigenlijk al voorbij. Zij zijn zich steeds minder bewust van de dreiging. Het naleven van gedragsregels wordt zo steeds makkelijker ‘vergeten’. Als we om ons heen zien dat anderen het niet zo nauw nemen met de regels, zijn we geneigd zelf ook meer risico’s te nemen. Zo komen we samen eens te meer terecht in een neerwaartse spiraal, waar het virus goed van kan profiteren.

Veel mensen zullen pakjesavond samen vieren. Met besmettelijke kinderen, waarvan men denkt dat dat niet zo’n kwaad kan, omdat zij het virus nauwelijks over zouden dragen. Met besmettelijke jongeren, die het overdragen aan hun ouders, kennissen en vrienden en grootouders die ‘het risico wel willen nemen’. Of andersom. En dan nemen jongeren het op hun beurt mee de scholen in. De ouders nemen het mee naar hun werkplek.

De ministers zijn bezig met het vaccin, Gommers is bezig met Feyenoord en de bevolking gaat op pad om de kerstinkopen te doen. Vóór kerst kunnen families en collega’s deze nieuwe, hoopvolle fase in de coronacrisis nog vieren met een hapje in de pas weer geopende restaurants. In de periode van pakjesavond en de weken daarna, verspreidt het virus zich dan ‘oh zo snel’. En wie weet hoeveel mensen Kerstmis en Oud en Nieuw dan kunnen vieren op de IC. Gelukkig voor de zorgmedewerkers, kunnen zij door het zeer doortastende vuurwerkverbod de brokstukken van het kabinetsbeleid dan in alle stilte op hun schouders torsen.

Het coronavirus verspreidt zich met name door gedrag. Niet alleen het gedrag van de bevolking speelt een belangrijke rol, maar ook dat van de overheid en haar adviseurs. Hoe beleidsmakers en burgers elkaar in gedrag beïnvloeden en versterken en daarmee de coronapandemie blijven opstoken, lees je in het onderzoeksrapport ‘Opnieuw Bruggen Bouwen’.

Opnieuw bruggen bouwen (Onderzoekspaper)

Hoe gedrag de coronapandemie beïnvloedt
Onderzoekspaper (samenvatting)
Ginny Mooy, Myrna Over, Karlijn Roex
Download het volledige paper hier

Gedrag van mensen die gedurende een lange periode blootstaan aan stress en onzekerheid, is moeilijk beheersbaar. Toch leunt het Nederlandse coronabeleid bijna volledig op ons gedrag. De strategie van ‘maximale controle’ leidt onvermijdelijk steeds weer tot lockdowns en lange perioden van restricties. Dat leidt niet alleen tot langdurige overbelasting van de zorg maar ook tot langdurige ontwrichting van de samenleving. Bovendien leidt het tot veel economische schade, mentale problemen, sociale onrust en kan het tot een nationaal trauma leiden. Ons advies is de strategie te wijzigen naar preventie, een gezamenlijk doel te formuleren (‘nul’ corona), samen eerst een tussendoel te bereiken (samen kerst vieren) en in de lente als samenleving weer tot bloei komen[1] [2].

Hoewel de coronacrisis voor velen van ons de grootste langdurige ramp is die we in ons bestaan meemaken, voelt de situatie vlak en weinig urgent. Bij een echte ramp horen veel sirenes, zorgelijke en afgetobde leiders en een bepaalde mate van saamhorigheid. Tijdens de eerste golf kwam die saamhorigheid en verbinding razendsnel op gang, maar ebde ook even zo snel weer weg. Naast thuiszitten, konden burgers maar weinig bijdragen om de situatie te verbeteren.

Het kabinet, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Outbreak Management Team (OMT) hebben alle touwtjes in handen. De persconferenties zijn gaandeweg steeds minder empathisch geworden. Over het lot van de vele zieken en doden, spreekt premier Rutte zich nauwelijks uit. Het gaat vooral om cijfers, modellen, welke uiterste risico’s we kunnen nemen en af en toe wijst een belerende vinger richting de burgers. Veel mensen voelen zich in de steek gelaten. En waar de één besluit dat het dan allemaal wel mee zal vallen met corona, besluit de ander zich maandenlang op te sluiten in huis, terwijl dat misschien niet eens altijd zo strikt nodig is.

Burgers kunnen niet alleen niet daadwerkelijk iets doen om te helpen, maar doen daarnaast blijkbaar in het niets doen ook veel niet goed. En dat is verwarrend. Het kabinet geeft ‘dringende’ adviezen. We mogen zelf bepalen of we daar gehoor aan geven. We worden teruggeworpen op onszelf en het is dan ook niet gek dat veel burgers zich vooral laten leiden door hun eigen behoeften en belangen.

Een leider die één van ons is en voor ons werkt, versterkt het gevoel van saamhorigheid en geeft ons een gezamenlijk doel. Een premier die niet op de IC komt maar wel regelmatig uitspreekt dat hij naar de kroeg snakt, stimuleert een frivole, zorgeloze houding. Onder een deel van de bevolking althans. Maar er zijn ook veel burgers die dit als ongepast ervaren. Zij voelen zich in de steek gelaten. Het kabinet is weinig empathisch en lijkt alleen oog te hebben voor een minderheid in de samenleving die knokt voor de ‘vrijheid’ en het liefst zo snel mogelijk van de coronamaatregelen af wil. Van hen mag het virus rondgaan. Terwijl tweederde van de bevolking graag ziet dat het kabinet sneller en harder ingrijpt. Zij vinden geen gehoor. In Nederland ontwikkelt de pandemie zich daardoor niet alleen tot een gezondheidscrisis, maar ook tot een politieke en maatschappelijke crisis. Er ontstaat een gevaarlijke tweespalt in de samenleving. Onduidelijk blijft wat hierin de positie van het kabinet is en welke doelen het kabinet met zijn daden nastreeft. Er lijkt een groot verschil te zijn tussen wat het kabinet zegt te doen en wat het werkelijk doet.

De vrees bij het kabinet om paniek te veroorzaken als nadruk op de gevaren van dit onbekende virus wordt gelegd, werkt onderschatting in de hand en zorgt ervoor dat mensen geen reële risico-inschatting kunnen maken. Door weifelend en inconsistent beleid is de politiek de bevolking onderweg kwijtgeraakt. Onze ‘volksaard’ vormt geen verklaring voor de kloof die is ontstaan tussen kabinet en burgers bij de bestrijding van het virus. Maatregelen lijken in toenemende mate arbitrair en kunnen op steeds minder steun en begrip rekenen. Burgers raken het spoor bijster, terwijl zij in een crisis juist meer dan anders houvast nodig hebben.

Gedrag is geen knop waar naar believen aan gedraaid kan worden, het moet steeds gefinetuned worden. De grootste uitdaging bij een gezondheidscrisis, is de bevolking steeds bewust te houden van de dreiging en burgers te blijven stimuleren gewenste gedragsregels na te leven. Het voelt heel onnatuurlijk de persoonlijke vrijheid op te offeren. Zeker als de boodschap steeds wisselt: het ene moment is het wenselijk dat een deel van de bevolking grote risico’s neemt en besmet raakt, het volgende moment is dat ineens onwenselijk gedrag.

Het ‘beschermende muurtje’ van premier Rutte wekt de indruk dat groepen in de samenleving afgeschermd kunnen worden. Daarmee is het ongrijpbaar en onbegrijpelijk geworden om in te schatten hoe ons persoonlijk belang samenhangt met het algemeen belang of met andere mensen in de samenleving. We houden ons aan de gedragsregels die voor ons als individuen het meest logisch lijken. Dat ligt niet aan de cultuur, of aan de volksaard, maar aan onze menselijke behoeften. Bovendien hebben burgers zelf het idee weinig invloed te hebben op het verloop van de uitbraak. Het is de overheid die (in bepaalde mate) risicovol gedrag stimuleert, zoals door het openhouden van de scholen, het toestaan van reizen naar risicogebied zonder quarantaine verplichting, of werken in de zorg zonder adequate beschermingsmiddelen. De samenleving moet draaien. Het is dan ook niet meer dan logisch dat burgers die risico’s ook zullen nemen. In veel gevallen is er zelfs geen keuze; niet alle gedrag is vrijwillig, soms kunnen we – door werk, school of andere verplichtingen – niet ontkomen aan risicovolle situaties.   

De mate waarin mensen denken dat ze risico lopen om de ziekte op te lopen en door te geven aan anderen (vatbaarheid) en hoe ernstig zij de gevolgen daarvan inschatten (om zelf besmet te raken en het vervolgens doorgeven aan anderen), wordt ook beïnvloed door gedrag waar men niet aan kan ontkomen. Zo zullen zorgmedewerkers die zonder mondneusmasker zorghandelingen uitvoeren, het risico op besmetting vaak onjuist inschatten. In hun privéleven hanteren zij dezelfde risico-inschatting. Daarnaast wordt hiermee ook een signaal aan de samenleving gegeven: wat is het nut van het dragen van een mondneusmasker als zorghandelingen bij (potentiële) COVID-patiënten onbeschermd doorgang kunnen vinden? Veel burgers komen tot de conclusie: het zal dan toch niet zo besmettelijk zijn. Mede door de duur van de crisis, wordt het voor mensen steeds moeilijker hun eigen aandeel in de verspreiding van het virus te begrijpen[3]. Daarnaast blijkt dat mensen klachten slecht herkennen of een verkeerde inschatting maken (‘het zal wel een verkoudheidje zijn’).

Van de eerste golf hebben we kunnen leren dat met name snelheid en reageren met adequate maatregelen, de voornaamste succesfactoren zijn om het aantal besmettingen snel terug te dringen. We leerden van andere landen, met een succesvolle aanpak, dat daarna het actief opsporen, testen en isoleren van alle gevallen, de enige manier is om de verspreiding laag te houden en de samenleving zo min mogelijk te belemmeren. In Wuhan, waar de uitbraak eind december 2019 begon, kon men in augustus weer terugkeren naar een bijna-normaal bestaan.

Ook in Nederland leek dat – na een ‘intelligente lockdown’ van bijna 3,5 maand – eind juni binnen de mogelijkheden te liggen. De verspreiding was toen zo laag dat we binnen 3 weken, volgens de prognoses, vrijwel virusvrij zouden zijn geweest, als we de intelligente lockdown nog even hadden voortgezet. Kabinet en bevolking waren, begrijpelijkerwijs misschien, ongeduldig. Ondanks vele waarschuwingen, volgden op 1 juli versoepelingen. Dat bleek inderdaad te vroeg. Bovendien waren de maatregelen om het opnieuw opvlammen van het virus te voorkomen (intensief testen, bron- en contactonderzoek en quarantaine) niet op orde. Eind juli had het kabinet zo snel mogelijk in moeten grijpen, om een nieuwe cyclus van exponentiële groei in de kiem te smoren. Een tweede golf had voorkomen kunnen worden. Maar net als bij de eerste golf nam het kabinet een afwachtende houding aan en greep pas in toen medio oktober de ziekenhuizen weer alarm sloegen.

Doordat de overheid nauwelijks inzet op preventie, voorlichting, voorzorgsmaatregelen en een reële risicoperceptie onder de bevolking, zijn we na de zomervakantie weer in een nieuwe golf aan besmettingen terechtgekomen. Door te laat in te grijpen terwijl er weinig naleving van (gedrags)regels was en de verspreiding in de gemeenschap al hoog was, was een acuut signaal nodig om mensen te motiveren het nalatig gedrag direct om te zetten naar nalevend gedrag. De overheid greep medio oktober pas op het laatste moment in en had toen als laatste redmiddel enkel nog een gedeeltelijke lockdown in de aanbieding.

Een lockdown is het sterkste middel dat de overheid kan inzetten om een onmiddellijk gedragseffect te bewerkstelligen. Eigenlijk is een lockdown niets anders dan het zoveel mogelijk in quarantaine plaatsen (van delen) van de bevolking. Hoe minder mobiliteit en hoe minder nabije sociale contacten, hoe minder kans op overdracht. Dat daarbij niet besmette(lijke) personen ook steeds gehinderd worden in hun sociale en economische levens, moeten we op de koop toenemen. Het lijkt een onevenredig grote investering als het ook anders kan.

Verspreiding voorkomen is niet heel moeilijk als het besmettingsniveau na een eerste lockdownperiode weer heel laag is. Tenminste, als de overheid goede voorzorgsmaatregelen zou treffen op plekken waar mensen zichzelf niet tegen besmetting kunnen beschermen. Op plekken waar zij dat wel kunnen, moeten mensen weten hoe ze besmetting kunnen voorkomen en zich daarnaar gedragen. En waar burgers dat niet kunnen, zou de overheid hen moeten helpen. Door bijvoorbeeld te faciliteren dat mensen dichter bij huis kunnen testen of de preventieve quarantaine financieel en praktisch haalbaar te maken. Maar ook door hen te beschermen tegen andere burgers, die het niet zo nauw nemen met de maatregelen. Want (de mensen uitgezonderd die echt een verhoogd risico op een ernstig ziektebeloop hebben) we zullen bijna allemaal wel momenten hebben dat we denken ‘dat het wel even kan’. Zeker als een besmetting onszelf niet zo hard treft, of het risico gewoon niet zo groot lijkt. Er is daarbij altijd sprake van de inschatting van het persoonlijke risico en het risico dat ons gedrag oplevert voor de ander.

Ook wanneer de overheid zware restricties opwerpt om gedrag te beïnvloeden en sociale interacties te beperken (zoals een lockdown), zal zij moeten blijven investeren in het stimuleren van een juiste risico-inschatting. De behoefte aan sociaal contact en fysieke nabijheid zal juist door maatregelen die sociale isolatie bevorderen, toenemen. Familieleden zullen elkaar bezoeken en juist bij elkaar gezelligheid, steun en troost zoeken. Door veel te investeren in preventie en het vergroten van de intrinsieke én extrinsieke motivatie (regels en handhaving), kan de overheid een derde golf voorkomen. En daarmee ook een derde lockdown.

Nederland kan het roer omgooien en net als landen als China, Vietnam, Japan, Nieuw-Zeeland, Taiwan, Mongolië, Guinee, Liberia en Sierra Leone binnen afzienbare tijd terug kunnen naar ‘het oude normaal’: een samenleving waar af en toe nog wat kleine uitbraken zullen zijn die direct uitgedoofd kunnen worden, zodat er slechts sporadisch en zeer plaatselijk nog beperkende maatregelen noodzakelijk zijn. Het jojo-effect van verwerven en inleveren van vrijheden, met als dieptepunt terugkerende lockdowns, zijn te wijten aan het huidige Nederlandse beleid. Een strategie van ‘maximale controle’ door pas bij te sturen als de IC’s overspoeld dreigen te raken, zal telkens opnieuw leiden tot hoge viruscirculatie, waarbij (gedeeltelijke of intelligente) lockdowns nog de enige manier vormen om de virusdruk omlaag te brengen. Wie accepteert dat het virus rondgaat, leunt bijna volledig op constant alert en risicomijdend gedrag van de bevolking en dat is praktisch niet haalbaar. Bovendien zet de overheid weinig in op dat bewustzijn onder burgers. Veel mensen zullen in verband met werk, school en zorg voor anderen immers wel risico’s moeten nemen. En als zij in de ene situatie geen andere keuze hebben dan risico’s nemen, zullen zij dat in andere situaties ook doen. Zij beïnvloeden anderen met hun gedrag en op die manier komt de samenleving steeds weer in een neerwaartse spiraal terecht. Met andere woorden: uitgaan van risicomijdend gedrag en eigen verantwoordelijkheid gedurende een lange periode, is niet haalbaar.

Een snelle terugkeer naar een volledig functionerende maatschappij, met veilige scholen, economisch herstel en een sociaal en maatschappelijk leven zoals we dat kennen van vóór het coronatijdperk, is absoluut noodzakelijk. Dit is een haalbaar doel als we de lasten van de bestrijding evenredig – met zijn allen – dragen. De overheid kan hiertoe draagvlak creëren door een duidelijk doel aan de huidige lockdown te stellen: samen opnieuw beginnen en vervolgens een duidelijk doel en strategie hanteren, waarbij mensen een betere inschatting van hun eigen aandeel kunnen maken.

De overheid kan een saamhorigheidsgevoel kweken door ieders verschillende behoefte aan veiligheid aan elkaar te koppelen. Dat kan en dat moet, want zo zit onze samenleving in elkaar. We zijn allemaal met elkaar verbonden en onderling afhankelijk van elkaar. De gezondheid van ‘mijn’ kapster is van belang, evenals dat van de leerkracht van ‘mijn’ kinderen, dat van ‘mijn’ huisarts, ‘mijn’ ouders die helpen bij het oppassen en ‘mij’ mentaal ondersteunen en het sociale en liefdevolle vangnet geven dat ieder mens nodig heeft. De gezondheid van de bouwvakker is van belang, dat van de politicus, van de brandweer, de caissière en de kantoormedewerker. Door mensen inzicht te geven in onze onderlinge verbanden, kan de overheid deze crisis ombuigen naar een gezamenlijke strijd tegen ‘corona’. Wat de burger zelf kan maar toch echt ondersteuning bij nodig heeft? Dichte ruimten, drukke plekken en dichtbij elkaar zijn vermijden. Op vele verschillende manieren zal de overheid dat nog moeten faciliteren. Zoals ervoor zorgen dat er betere ventilatie in binnenruimten komt, dat we vanwege school of werk niet verplicht worden om op drukke plekken te komen en dichtbij elkaar komen ook daadwerkelijk kunnen vermijden.

De overheid zorgt dat alle instrumenten om verspreiding tegen te gaan klaarstaan om na de lockdownperiode bij heropening optimaal te functioneren en investeert tegelijkertijd in een betere informatievoorziening en het creëren van een samenleving met een reële risicoperceptie: zowel op het gebied van de eigen gezondheid als de daarmee samenhangende volksgezondheid en het welzijn van de samenleving als geheel. Investeer in alle pijlers van het TTI: snel en laagdrempelig kunnen Testen. Stimuleer mensen goed mee te werken aan het Traceren van de keten van verspreiding en zorg dat er steeds ruim voldoende menskracht is om dat bron- en contactonderzoek uit te voeren. En bovenal: stimuleer mensen zich zoveel mogelijk te Isoleren als zij besmet zijn en in quarantaine te gaan als zij in contact geweest zijn met een besmet persoon. Want testen en traceren geven wel een beeld van de verspreiding, maar voorkomt het natuurlijk niet. Help mensen de isolatie- of quarantaineperiode door te komen, in de breedste zin des woords. Kapsel het virus in en houd het buiten de grenzen. Ook letterlijk: zorg ervoor dat er vanuit het buitenland geen nieuwe besmettingen kunnen binnenkomen. Dat kan door steeds aan alle gaten in de lagen van de respons te blijven sleutelen. En door ons er bewust van te worden, dat ‘een beschermend muurtje’ rond bepaalde groepen een bijzonder slechte verdedigingslinie is gebleken.

Een muur die ons allen beschermt en het coronavirus zoveel mogelijk buiten houdt, is de enige manier waarop de samenleving zoveel mogelijk onbelemmerd door kan draaien. Dat een muur bouwen wat tijd en investering kost, zou ons allemaal duidelijk moeten zijn. Maar als we dat samen doen, kan het een klus zijn die naast veiligheid ook verbinding oplevert.

In het onderzoekspaper ‘Opnieuw bruggen bouwen’ geven we een uitgebreide analyse van de coronacrisis in Nederland en beschrijven we hoe beleid en gedrag elkaar wederzijds beïnvloeden. In dit paper worden aanbevelingen gedaan om gedrag beter te begrijpen en in te zetten om de uitbraak in Nederland tot een minimum te beperken.

Gebaseerd op onderzoek van: Ginny Mooy
Auteurs: Ginny Mooy en Myrna Over
Met bijdragen van: Karlijn Roex


[1] In China, Where the pandemic began, Life is starting to look…normal – New York Times, 23 augustus 2020

[2] Is crushing the curve methode de oplossing voor Nederland tegen coronavirus? – De Nieuws BV, 14 oktober 2020

[3] Effectivity response

Waarom we niet met corona kunnen leven

Misschien is er bij het kabinet geen moed om toe te geven dat er een verkeerde inschatting is gemaakt door groepsimmuniteit na te streven en in te zien dat ‘de beste experts van de wereld’ ook fouten kunnen maken. 

“Eindelijk goed nieuws over corona”, meldde het nieuwsprogramma Nieuwsuur op 9 november. “Een sprankje hoop in deze pandemie”, noemde nieuwszender Al Jazeera de berichtgeving over het veelbelovende coronavaccin van Pfizer. Het ‘hoopgevende vaccin bracht de beurzen direct in juichstemming’, omdat het in de derde en laatste onderzoeksfase 90% effectiviteit laat zien. Het einde van de pandemie zou daarmee in zicht komen.

Het optimisme rond het vaccin is prematuur te noemen. Zo is nog niet duidelijk welke personen op welke manier voor welke duur door het vaccin beschermd kunnen worden. Tevens is het de vraag of het vaccin voldoende effectiviteit zal bieden als het virus muteert. Maar het enthousiasme is begrijpelijk; het biedt perspectief en hoop. De samenleving zou weer zonder restricties kunnen draaien. De hunkering naar een vaccin legt haarfijn bloot: met het nieuwe coronavirus valt niet te leven.

Volgens Minister De Jonge moeten we “inzetten op alles wat perspectief biedt op teruggaan naar het oude normaal.” De minister ziet vaccinatie daarbij als “onze beste troef”, wat in combinatie met “betere behandelingen” en “het veel intensiever testen” in de loop van het nieuwe jaar een teruggang naar het oude normaal moet inzetten. De drie routes naar perspectief, zoals premier Rutte het noemt. De premier en de minister lijken te accepteren dat een derde golf wellicht niet meer te voorkomen is. Misschien is dat te wijten aan het uitgangspunt achter het kabinetsbeleid sinds de uitbraak in Nederland in februari begon: de gedachte dat slechts groepsimmuniteit een einde kan maken aan ‘corona’. Dat een vaccin – in deze fase – niet per se langdurige groepsimmuniteit oplevert, maar misschien eerder collectieve preventie biedt die ook op andere manieren bereikt kan worden, ziet het kabinet over het hoofd.  

De Nederlandse bevolking is nog niet enthousiast over het vaccin. Bijna veertig procent van de bevolking wil zich niet laten vaccineren. Het kabinet staat voor een grote uitdaging om deze burgers van gedachten te laten veranderen. Geen enkele strategie werkt immers, als mensen niet meewerken. Zelfs collectieve vaccinatie niet. Er is geen wondermiddel. Om mensen mee te laten werken, zullen zij er van doordrongen moeten zijn dat preventie noodzakelijk is. En juist daarin is in Nederland weinig tot niets geïnvesteerd.

Om mensen ‘mee te laten werken’ is het noodzakelijk dat zij weten waaraan ze moeten meewerken. En die visie ontbreekt in Nederland. Eigenlijk is de boodschap steeds sussend geweest. Dat het virus verspreidt is niet zo erg, zolang de ouderen en ‘kwetsbaren’ in de samenleving maar niet massaal ziekenhuiszorg nodig hebben. Zij mogen de ‘zorg niet overbelasten’. Het kabinet stuurt op ziekenhuiscapaciteit, iets waar burgers zonder verhoogd risico op een ernstig ziektebeloop weinig invloed op hebben. Niet iedereen wil offers brengen om de ‘kwetsbaren’ te ontzien. Dat is terug te zien aan de verminderde mate waarin burgers zich tijdens de tweede golf aan de maatregelen houden. Om de verspreiding van een virus ‘maximaal te kunnen controleren’ (premier Rutte) is het kabinet afhankelijk van het gedrag van de burger. Zeker in tijden van grote onzekerheid is het op lange termijn sturen van gedrag een hele uitdaging. 

Het kabinet heeft tot nu toe een weifelend en inconsistent beleid gevoerd. Premier Rutte verzekerde de bevolking er steeds van met ‘de beste experts ter wereld’ aan het roer te staan en steeds ‘maximale controle’ te hebben over het virus, terwijl werkelijk alles mis ging. Zo was en is er nog steeds niet afdoende testcapaciteit en bij lange na niet genoeg (competente) menskracht om het bron- en contactonderzoek uit te voeren. Onder de bevolking is er weinig bereidwilligheid tot testen en – erger nog – het naleven van de quarantaine. Testen, traceren, isoleren, dé pijlers onder succesvol bestrijdingsbeleid. Nederland scoort, na negen maanden, nog altijd een matig op alle onderdelen. Het kabinet ging de bestrijding in met een onduidelijk doel: het virus gecontroleerd laten verspreiden in afwachting van groepsimmuniteit – ofwel door middel van natuurlijke infecties of in afwachting van een vaccin. De strategie: het virus maximaal controleren, de meest ‘kwetsbaren’ beschermen tegen infectie, de ziekenhuiszorg niet teveel overbelasten en de samenleving zo min mogelijk te belemmeren. 

Nederland is een van de weinige landen ter wereld waar verspreiding onder de ‘niet kwetsbare’ personen van de bevolking als niet problematisch beschouwd wordt. Ons land kwam met deze strategie op een zevende plaats in de wereldranglijst met de meeste corona-sterfgevallen per honderdduizend inwoners te staan en heeft het, in vergelijking met andere landen, bijzonder slecht gedaan. Het besef dat de strategie niet werkt en het doel juist veel schade aanricht aan de volksgezondheid, de economie en de samenleving, lijkt langzaam in te dalen bij het kabinet. In de kamerbrief van Hugo de Jonge van 17 november jongstleden, wordt voorzichtig een ander doel geschetst: heel Nederland moet terug van risiconiveau 4 (‘zeer ernstig’) naar risiconiveau 1 (‘waakzaam’), waarbij weliswaar nog teveel verspreiding van het virus wordt toegestaan, maar waarbij er toch een breuk gemaakt wordt met de acceptatie dat het virus zich op hoog niveau mag verspreiden.

‘Voorzichtig’ want het kabinet lijkt nog niet bereid zich volledig te committeren aan dit doel. Als het aantal besmette mensen blijft dalen, hoopt en denkt het kabinet dat half december een eerste voorzichtige tussenstap gezet kan worden en stelt daarbij als voorwaarde dat heel Nederland dan binnen de signaalwaarde van risiconiveau 2 moeten zitten. Het einddoel, heel Nederland weer in risiconiveau 1 krijgen, hoopt het kabinet dan in de tweede helft van januari te bereiken. Een strategie om daadwerkelijk en snel terug te keren naar risiconiveau 1, is er niet. Met de huidige maatregelen (zoals afgekondigd op 17 november) en de te verwachten toename in nabije sociale contacten in de feestmaand december, lijkt het doel (het bereiken van niveau 1 in de tweede helft van januari) bij voorbaat onhaalbaar.

De route naar perspectief: vaccin, medicatie en testen. Het voorkomen van verspreiding en een niveau 0, waarbij er nog amper verspreiding is zodat geen maatregelen meer nodig zijn, staat nog niet op de routekaart van het kabinet. Het kabinet weifelt nog altijd en houdt – ook nu er afgetast wordt om over te stappen naar een strategie van minder verspreiding – de deur op een kier om toch sneller te kunnen versoepelen en verspreiding op hoog niveau toch toe te staan. Misschien heeft het kabinet nog niet voldoende geleerd dat ‘golven’ komen en gaan door versoepelingen en aanscherpingen en dat het toestaan van verspreiding onvermijdelijk weer zal leiden tot escalatie. Of misschien is er geen moed om op de schreden terug te keren, toe te geven dat er bij het begin van de uitbraak een verkeerde inschatting is gemaakt door groepsimmuniteit na te streven en in te zien dat ‘de beste experts van de wereld’ ook fouten kunnen maken. 

Om ervoor te zorgen dat we – in afwachting van een vaccin – niet met de ene golf na de andere een derde lockdown in jojo-en, zou het kabinet nu al in moeten zetten op preventie. “Als je een ziekte niet kan krijgen dan kan je het ook niet overdragen op anderen. Als niemand meer de ziekte kan krijgen, dan kan niemand het meer overdragen en kan de ziekte zelfs verdwijnen.” Daar kan een vaccin bij ondersteunen. Het bereiken van blijvende groepsimmuniteit – ofwel door middel van natuurlijke infecties, ofwel door middel van een van de vaccins die nu in ontwikkeling zijn – is nauwelijks haalbaar. Collectieve preventie lijkt het maximaal haalbare, zoals dat ook geldt voor de vaccinaties tegen influenza, bijvoorbeeld. Een vaccin is echter zeker niet de enige manier om verspreiding te voorkomen. Andere landen bewijzen dat door volledig in te zetten op preventie, zoals een vaccin dat ook doet, verspreiding voorkomen kan worden.

Er is geen beter moment om voor een nieuw doel en een nieuwe strategie te kiezen dan in de daling van de tweede golf. Ons eerste vooruitzicht: samen Kerstmis kunnen vieren en de verspreiding toch op een heel laag niveau houden. Ons tweede vooruitzicht: in de lente is de uitbraak in Nederland onder controle. Iedere nieuwe besmetting kan achterhaald en geïsoleerd worden. Alle nieuwe brandhaarden kunnen opgespoord en geblust worden. Nederland is grotendeels vrij van ‘corona’ en de samenleving kan weer tot bloei komen. De bevolking kan rustig wennen aan het nieuwe vaccin en een nieuw kabinet kan zich dan buigen over het samenbrengen van het oude en het nieuwe normaal.

Dit artikel is onderdeel van het onderzoekspaper ‘Opnieuw bruggen bouwen’, dat binnenkort zal worden gepubliceerd.

Alleen school is belangrijk voor kinderen. Vinden volwassenen.

Toen ik een paar weken geleden opriep de kinderen een extra week herfstvakantie te geven zodat er een harde knip in de transmissieketen gegeven kon worden, kreeg ik met veel verbale agressie te maken. Scholen moeten hoe dan ook openblijven. Wat me nog het meest verbaasd heeft: dat heel veel mensen denken dat kinderen in mentaal of psychisch opzicht voor het leven beschadigd raken door één extra week herfstvakantie.

De New York Times kopt vandaag: “Het lijkt onwaarschijnlijk dat kinderen de verspreiding van het coronavirus aanjagen.” Voor jonge kinderen in het basisonderwijs wordt Nederland in het artikel daar als voornaamste bewijs voor opgevoerd. In Nederland zijn – in tegenstelling tot andere landen – de scholen open zonder restricties. Volgens Brooke Nichols, modelleur infectieziekten aan de Boston University School of Publich Health, blijkt uit de Nederlandse gegevens dat kinderen het virus nauwelijks aan volwassenen overdragen. Een redenering die we eerder hebben gehoord van het RIVM en het OMT, waar de wetenschappelijke bewijsvoering voor ontbreekt. Het is een aanname, want kinderen jonger dan 13 worden nauwelijks getest.

De situatie op scholen en onder kinderen is in Nederland een grote zwarte doos. Het bron- en contactonderzoek ligt in zijn algemeenheid vrijwel stil, maar ook toen het nog functioneerde, werd er onder kinderen nauwelijks bron- en contactonderzoek uitgevoerd. Bovendien werd toen het BCO nog ‘optimaal’ functioneerde slechts 30% van alle bronnen opgespoord. We weten dus maar bitter weinigo over de verspreiding. Wat we wel weten: kinderen en jongeren worden zelden ernstig ziek. Of er kinderen zijn met long-covid, is onbekend. Er wordt niet over gerapporteerd en er is geen centrale registratie. Besmet raken kinderen in ieder geval wel. In welke mate? Niemand kan daar antwoord op geven. Uit het percentage positief geteste kinderen uit de RIVM rapportage van afgelopen dinsdag kunnen we maar 1 ding concluderen: onder kinderen wordt veel te weinig getest. En verhoudingsgewijs basisschoolkinderen momenteel de groep die het meest vaak positief getest wordt.

Niet alleen in Nederland maar wereldwijd, is de discussie rond de rol van kinderen in de coronapandemie, zeer gepolitiseerd geraakt. Het is misschien wel het heetste hangijzer van de pandemie. Wetenschappelijke onderzoeken zijn bijna zonder uitzondering gebaseerd op verkeerde uitgangspunten, scheve selecties en te harde conclusies. Tijdens de eerste golf, waren bijna overal ter wereld de scholen gesloten. Waar ze niet snel werden gesloten, waren er toch relatief veel zieke kinderen. In New York City alleen werden 89 kinderen in ziekenhuizen opgenomen met de zeldzame ernstige complicatie MIS-C. Nederland rapporteerde ‘ongeveer’ 20 gevallen van MIS-C, terwijl de kinderen hier tijdens de ‘intelligente lockdown’ toch in relatieve afzondering leefden.

Pas deze herfst, tijdens de tweede golf, zullen we meer inzicht krijgen in het ziektebeloop onder kinderen die voltijds en zonder restricties naar school gaan. Nederland is de proeftuin van de wereld. Logisch, vinden wij, want school is het allerbelangrijkst voor kinderen en restricties op scholen, daar blijven we ver vandaan. De school vormt een belangrijke sociale basis voor kinderen en jongeren. Maar daarnaast vrezen we vooral de veronderstelde leerachterstanden die kinderen zouden oplopen door hybride of afstandsonderwijs.

Toen ik een paar weken geleden opriep de kinderen een extra week herfstvakantie te geven zodat er een harde knip in de transmissieketen gegeven kon worden, kreeg ik met veel verbale agressie te maken. Scholen moeten hoe dan ook openblijven. Wat me nog het meest verbaasd heeft: dat heel veel mensen denken dat kinderen in mentaal of psychisch opzicht voor het leven beschadigd raken door een extra week herfstvakantie. Eén extra week. Die je dan – als het echt moet – ook makkelijk van de zomervakantie af kunt halen. Eén week extra, voor of na de herfstvakantie. Als het ons om leerachterstanden zou gaan en het welzijn en de gezondheid van de kinderen hierbij centraal zouden staan, zouden we dat idee toch moeten omarmen.

Het belangrijkste argument waar ik mee om de oren geslagen wordt: op scholen is er geen corona. Alleen af en toe een incidenteel geval. Zal wel van een feestje zijn. Of van contact buite school. Daar lijken kinderen het dan wel aan elkaar over te dragen, maar zodra ze de school binnenlopen, is dat risico op overdracht blijkbaar op het schoolplein achtergebleven. De werkelijkheid: We weten simpelweg niet wat er gaande is op de scholen. Er is veel onrust, onder leerkrachten, maar ook onder leerlingen. Er is veel verzuim. Kinderen raken ook besmet. Vooral jongeren. In hoeverre ze elkaar aansteken? Onbekend. Bron- en contactonderzoek wordt niet gedaan. Sommige scholen moesten al de deuren sluiten. Klassen worden naar huis gestuurd omdat leerkrachten in quarantaine moeten of besmet zijn geraakt. Hoe het zit met verspreiding van kinderen en jongeren naar hun ouders is onbekend. Niemand heeft daar gegevens over. Niemand heeft zicht, of grip. En dat zou je nou toch juist wél willen hebben.

School is het allerbelangrijkst voor kinderen. Daar lijkt niemand aan te twijfelen. Om verspreiding van kinderen naar ouders tegen te gaan, raadt het RIVM aan om thuis zoveel mogelijk 1,5 meter afstand te houden. Naar opa en oma kunnen ze niet meer. Dat geldt tenminste voor de families die zich dat kunnen permitteren. Iets meer dan de helft van de ouders met baby’s en kleuters die gebruik maken van kinderopvang namelijk, laten de grootouders zeker 8 uur per week oppassen. Een derde van de ouders met kinderen in de basisschoolleeftijd, laten de grootouders 8 tot 12 uren per week oppassen. En vanwege de woningnood zijn er ook behoorlijk wat alleenstaande ouders die na een relatiebreuk samen met de kinderen bij de (groot)ouders op zolder hun intrek moesten nemen. In achterstandswijken wonen vaak meerdere generaties onder 1 dak.

Het is dus niet altijd even makkelijk, die 1,5 meter afstand. En de risicogroepen komen zo onvermijdelijk toch binnen het bereik van het coronavirus. Tenminste, áls kinderen dat überhaupt zouden kunnen verspreiden. En dan nog in welke mate. Met welke viral load. Want ze hebben vaak milde klachten, niezen en hoesten niet zo hard en dan zou het mee kunnen vallen. Buiten Nederland blijkt dat kinderen vaak een ander ziektebeeld hebben dan volwassenen en zou covid-19 bij hen zich vaak uiten in buikklachten en diarree. In Nederland lijkt dat niet het geval te zijn, althans niet volgens de website van het RIVM.

Intussen zijn de scholen in regio noord na de herfstvakantie alweer begonnen. De andere vakantieregio’s volgen vanaf volgende week. De tweede golf lijkt de ziekenhuizen als een tsunami te overspoelen. Alles wat met recreatie te maken heeft, is gesloten of draait met allerlei beperkingen door. Trainen mogen kinderen nog wel, maar wedstrijden spelen niet. De sportkantines zijn gesloten. Een middagje shoppen is niet de bedoeling. Ergens anders dan op school ergens in een binnenruimte samenkomen ook niet.

Op school draait alles door als normaal. En voor veel kinderen is dat prettig. Maar tegelijkertijd ook, maken veel kinderen zich zorgen. Sommigen piekeren dat ze hun ouders zouden kunnen besmetten, of hun grootouders. Of hun leerkrachten. En is er dan in de ziekenhuizen wel plek? Een meisje van 17 vertelde me dat ze ‘s nachts vaak wakker ligt omdat haar vader herstellend is van een hartoperatie en ze iedere dag moet wikken en wegen of het nog verstandig is om naar school te gaan. Moet ze dit jaar als verloren beschouwen en haar eindexamen maar volgend jaar doen?

Groep 8’ers maken zich zorgen over hun niveau, want door uitval van de leerkracht zitten ze dan plotseling weer thuis en loopt het afstandsonderwijs niet zo gesmeerd meer, als tijdens de intelligente lockdown. Gaan de open dagen op de middelbare scholen wel door? Hun eindmusical? Schoolkamp? En hoe lang gaat de pandemie duren? Kunnen ze ooit weer normaal met opa en oma omgaan? Wordt het Sinterklaas zonder familie, in een gedeeltelijke lockdown? En hoe gaat dat met Kerstmis en Oud en Nieuw. Hun verjaardag? Wordt het leven ooit weer normaal?

Hoe zit het met de mama met ‘onderliggend lijden’ die zich zoveel mogelijk in haar slaapkamer moet afzonderen? En met de papa die het huis heeft moeten verlaten omdat hij tot een risicogroep behoort en ze alleen van afstand, buiten, kan zien? En dan zijn er de samengestelde gezinnen die onder spanning leven omdat het ‘andere gezin’ het niet zo nauw neemt met de regeltjes. Sommige kinderen komen klem te zitten in onderlinge ruzies en spanningen, die de botsende levensstijlen met zich meebrengen. Hoe gaat het met het kind van die alleenstaande moeder die als ZZP’er werkt en nu al voor de derde keer door haar kind werd aangestoken met een corona-achtige ziekte? Zij moet in afwachting van een test thuis blijven en weet niet meer hoe ze haar rekeningen kan betalen. En omdat de kinderen ineens weer, van de ene op de andere dag, dagenlang thuis kunnen komen te zitten, wordt het ook moeilijk met het aannemen van nieuwe opdrachten. Sport wordt opgezegd, in de uitgaven moet worden geschrapt. Het wringt en het schuurt overal. En de kinderen van horeca-ondernemers maken zich al langere tijd zorgen dat het gezin met faillissement en langdurige financiële sores te maken zal krijgen. En dan zijn er nog de kinderen met ouders in de cultuursector of de evenementenbranche, die intussen niet meer weten hoe ze de eindjes aan elkaar moeten knopen.

School is belangrijk voor kinderen. School is belangrijk voor de ouders. School is belangrijk voor de economie. School is belangrijk, punt. Maar er is meer dan school en dat lijken we wel heel makkelijk te vergeten. Het welzijn van kinderen hangt van meer af, dan van alleen leren en het sociale leven in een schoolgebouw. Ook, of juist buiten die muren, leren kinderen over het leven. Bouwen ze relaties op met anderen en verruimen ze hun horizon in contacten met andere generaties. De wereld gaat niet aan ze voorbij. Zullen we ook hun andere zorgen en verdriet serieus nemen? Kunnen we oog hebben voor hun gehele welzijn, zonder alles aan fysieke aanwezigheid in een schoolgebouw op te hangen? Kunnen wij volwassenen ophouden voor kinderen te beslissen dat voor hen enkel naar school gaan zonder maatregelen er tijdens deze pandemie toe doet? Wat voor kinderen belangrijk is, is een compleet bestaan, mèt school, maar ook met gezonde ouders, ouders met werk en redelijke financiële draagkracht, sporten zonder restricties, shoppen, schoolreisjes, Sinterklaas en Kerst met familie, knuffelen met oma en vooral ook: de garantie dat hun gezondheid voor ons op nummer 1 staat.

De wetenschapper is vertrokken. De mens blijft.

Marino van Zelst, promovendus organisatiewetenschappen aan Tilburg University, analyseert al een aantal maanden de dagelijkse coronacijfers. Harde data, zoveel mogelijk objectief, maar toch ook voor interpretatie vatbaar. Zijn belangrijkste les tijdens de coronacrisis: “De wetenschappelijke methode is objectief, maar de mens die de methode gebruikt is dat niet. Het is beter om daar open en eerlijk over te zijn, dan het nastreven van het onmogelijke doel om objectief te zijn.”

Half mei bel ik met een vriend over het nieuwe testbeleid en het bron- en contactonderzoek dat vanaf 1 juni van start gaat. We spreken hardop uit dat we er niet volledig van overtuigd zijn dat het beloofde beleid goed uitgevoerd kan worden. Ik hang op en lees nog een keer een onderzoek over het leren van prestaties door organisaties. En ineens schiet me iets te binnen. Ik app mijn vriend. “Ik heb nog eens nagedacht over ons gesprek en dit wordt de enige voorspelling waar ik geld op in durf te zetten: het aantal besmettingen zal in juni sterk dalen. Aan het eind van juni wordt de BCO afgeschaald en vanaf 1 juli krijgen we nog meer vrijheid. Het aantal besmettingen loopt eind juli omhoog, waarna de BCO het niet meer aankan. En in augustus gaat iemand zeggen ‘dat het ze is overkomen’.” 

Op 23 juli publiceert Trouw een interview met Sjaak de Gouw, directeur van de GGD-GHOR Hollands Midden, waarin hij stelt: “We zijn verrast door deze uitbraak”. Mijn vriend stuurt me het artikel en belt: “Bijna perfect, alleen is het twee weken eerder begonnen dan je dacht. Hoe wist je dit nou?” Ik ben even stil en zeg: “Dit is wat ik onderzoek en doceer.”

’s Avonds zit ik thuis op de bank en ik beproef enige irritatie naar aanleiding van het artikel. Het kan toch niet waar zijn dat we eind juli de controle alweer verliezen? Het is niet de wetenschapper in mij die de irritatie voelt, maar de mens Marino. Die een burger is, die zich zorgen maakt over de gevolgen van corona voor de samenleving. Die een werknemer is die na augustus misschien geen baan meer heeft. Die een broer is en met grote regelmaat zijn broer spreekt die in de frontlinie staat te ‘knallen’ voor ons. Die een zoon is met ouders die in de risicocategorie vallen. Die een kleinzoon is en zijn laatste grootouder al zes maanden niet heeft gezien. Het gevoel is persoonlijk, maar de kennis wordt gedreven door wetenschap. 

Ik realiseer me opnieuw: de wetenschapper en de mens zijn lastig te scheiden. Uiteraard wist ik dit al wel: tijdens de opleiding hebben we uitgebreid gesproken over hoe ons wereldbeeld ons onderzoek beïnvloedt. Dat we ons bewust moeten zijn van onze waarden en normen omdat ze onze manier van onderwijs geven beïnvloeden. Ik heb geleerd dat een onderzoeker objectief moet zijn; op zoek naar de beste modellen van de realiteit, zonder persoonlijke voorkeuren. Ik heb als mens geleerd om een onderzoeker te zijn. Maar nu moet de onderzoeker leren accepteren dat hij ook een mens is. En dat voelt verkeerd.

Als ik het nieuws kijk wissel ik constant tussen de mens en de wetenschapper. Ik ben gefascineerd omdat ik alle theorieën die ik bestudeer tot leven zie komen in de besluitvorming rondom de coronacrisis. Gefascineerd omdat ik bestudeer waarom managers en beleidsmakers irrationele besluiten maken, aan de lopende band. We hebben de eerste golf meegemaakt, maar het bron- en contactonderzoek wordt toch afgeschaald, ondanks dat de kans hoog is dat het virus zal terugkomen. En toch zie ik beleidsmakers op tv uitleggen dat niemand had verwacht dat het virus zo snel zou terugkomen. Net zoals niemand in den Haag of bij de adviesorganen zich publiekelijk oprecht zorgen maakte over een nieuw virus in China: “Er is geen reden om je zorgen te maken.”

Terug naar begin april: iemand op Twitter vraagt me of ik die oversterfte analyses van het CBS begrijp en dat eens zou kunnen nalopen. Ik begin te rekenen en raak gefascineerd door de analyses, omdat het een objectieve manier is om de impact van corona uit te rekenen en de vergelijking tussen landen te maken. In mijn hoofd denk ik: dit lijkt een goede manier om de ‘prestaties’ van landen te vergelijken. Ik sluit me dagenlang op totdat ik ervan overtuigd ben dat ik begrijp wat ik doe. Ik publiceer een oversterfte analyse op Twitter en nu wordt gevraagd of ik dit elke week kan doen. De wekelijkse analyses worden opgepikt door journalisten en in de tussentijd blijf ik zelf lezen over de coronacrisis. Over ons beleid. Het beleid in andere landen. Ik blijf geduldig de analyses uitleggen aan burgers die zoeken naar informatie. De onzin die soms onder mijn draadjes wordt gepost, door ontkenners of ‘grieproepers’, blijf ik geduldig pareren. De data die het RIVM en het CBS leveren stellen me in staat om dagelijks zelf op de hoogte te blijven en andere mensen te informeren over de gevolgen van het virus.

Eind juni kondigt het RIVM ineens aan dat ze stoppen met de dagelijkse updates. Ik begin code te schrijven om de dagelijkse cijfers zelf te kunnen volgen. Ik plaats het op Twitter en merk dat veel mensen de behoefte hebben om deze informatie te weten. Meer data en meer code volgt. Aantal positieve tests, grafieken van het aantal ziekenhuisopnames, een dagelijkse rapportage. De updates groeien langzaam uit de hand. Ik begin ook steeds vaker actief te tweeten over onderzoek, over beleid, mijn perspectief op de cijfers. In de weken die volgen bouw ik samen met Edwin Veldhuizen ‘de dagelijkse update’ en ons aantal volgers blijft groeien. Ik krijg steeds vaker berichten van bezorgde mensen die vragen wat ik van de cijfers vind. Eind juli word ik lid van het Red Team, een groep constructief-kritische mensen die vanuit hun eigen expertise een interessante blik hebben op het beleid.

Het is, als wetenschapper, een heerlijke ervaring om een groep gelijkgestemde mensen te vinden met wie je kunt sparren over ideeën. Samen proberen we de situatie te begrijpen, onze zorgen en vragen te formuleren over het huidige beleid en die delen we openlijk op Twitter, in de media, en richting de beleidsmakers. Mijn rol als ‘de datanerd’ groeit en ik verzamel steeds meer cijfers. Aan de ene kant om uit te leggen wat er gebeurt aan iedereen die mij volgt op Twitter, aan de andere kant om de inhoudelijke discussies te voeden die we met elkaar hebben. Ik word uitgenodigd om op radio en televisie de cijfers toe te lichten. Ik koers steevast aan op een inhoudelijk vertrekpunt: het gaat om het systeem, niet om de individuele verhalen. En tegelijkertijd sturen mensen me hun persoonlijke verhalen in de DM, in een email, en zie ik ze op televisie. Van echte mensen die geraakt worden door corona en van echte mensen die geraakt worden door het beleid. Maar ik dwing mezelf om te focussen op de feiten en het systeem.

Sommige dagen lukt het me niet meer. Er wordt gedraaid. Wetenschap, de politieke realiteit, en de echte wereld lijken soms losgezongen van elkaar. Ik lees over adviezen rondom mondkapjes in de ouderenzorg die niet aanbevolen worden want ‘er is geen sluitend bewijs’. Onze Duitse vrienden in Nordrhein-Westfalen gebruiken ze vanaf maart en ze hebben na zes maanden nog steeds geen noemenswaardige oversterfte gehad. Ik schrijf op Twitter een paar gewogen en genuanceerde tweets hierover. Ondertussen kook ik van binnen. Maar ik schrijf zonder emotie in de tweets hoeveel oversterfte er is, enige uitleg over de methode, en wat interpretatie. Ik schrijf niet over de verpleeghuisdoden. De risicogroepen die zich al maanden isoleren omdat ze geen onderdeel willen worden van de oversterfte statistieken. De verpleegkundige die in drie maanden tijd 50 mensen eenzaam heeft zien sterven: genoeg oversterfte voor de rest van je leven. Ik blijf genuanceerd, want ik ben een wetenschapper. Maar vlak nadat ik mijn draadje heb gepost schiet me een gedachte te binnen: Fuck de nuance. Ik zie de beelden van de volle IC’s en de lege verpleeghuizen aan de binnenkant van mijn ogen en ik huil. De wetenschapper is vertrokken en de mens blijft achter. 

Fuck de nuance. En toch: de ratio komt weer snel naar boven drijven. Ik moet genuanceerd blijven. Moet. Genuanceerd. Blijven. De behoefte aan objectieve informatie die ik zelf ervaar is te groot. Van mijn trouwe volgers krijg ik regelmatig een berichtje dat ze blij zijn met het constante uitleggen van ‘de cijfertjes’. Ik verschuil me ook graag achter de wetenschap: het is makkelijker om de objectieve bril op te zetten en kil naar de cijfers te staren.

Half september is er een uitzending in Nieuwsuur over moeders in de risicogroep die een haast onmogelijke afweging moeten maken: stuur ik mijn dochter naar school met het risico dat ze corona oploopt en mij mogelijk besmet of vermijd ik het risico door ze maandenlang thuis te houden? De verslaggever ter plaatse vraagt aan de kleine Oriana (6) of ze het zou kunnen opgeven om haar moeder niet meer te knuffelen. Glimlachend kijkt ze haar moeder aan en zegt “nee, omdat ik teveel van haar hou.” Ik breek opnieuw. Diezelfde avond denk ik terug aan de gesprekken en colleges over ethiek en integriteit. Over waardenvrij onderzoek doen. De eindeloze missie om de feiten op tafel te krijgen en objectief een oordeel te vormen. Maar ik sta stil bij de belangrijkste les die ik toen al geleerd heb: de wetenschappelijke methode is objectief, maar de mens die de methode gebruikt is dat niet. Het is beter om daar open en eerlijk over te zijn dan het nastreven van het onmogelijke doel om objectief te zijn.

Verslagen blijf ik achter. Moet ik definitief opgeven dat ik niet compleet objectief kan zijn? Nee. Maar ik moet er wel eerlijk over zijn. En dus zet ik alle data die ik gebruik openlijk online voor iedereen. Alle code die ik gebruik kan door andere mensen nagekeken worden. Ik wik en weeg argumenten om een positie te kiezen. Mensen, waar ik het hartgrondig mee oneens ben, blijf ik helpen met het verzamelen van ‘de cijfers’. En ik stel mezelf kwetsbaar op, door dit dilemma openlijk te delen. Maar in mijn hoofd hoor ik de kleine Oriana nog een keer zeggen: “omdat ik teveel van haar hou”. Na een half jaar strijd in mijn hoofd leer ik eindelijk te accepteren: De wetenschapper is niet vertrokken, maar de wetenschapper is een mens.

Marino van Zelst
Volg Marino op Twitter

Corona is vooral heel ongezellig

Gisteren werd mijn oudste dochter 11 jaar. Net als vele andere moeders, zijn de verjaardagen van mijn kinderen ook momenten dat ik nog terugdenk aan de bevalling. Voordat je bevalt, vertellen andere vrouwen je geruststellend dat je de pijn ‘zo vergeten bent’. Dat ligt dan misschien aan de pijn, want ik ben het niet vergeten. Het was een dramatisch gebeuren. Ik werd ingeleid. Een gel werd op mijn baarmoedermond gesmeerd, waarmee de bevalling werd opgewekt. Ik voelde dat mijn lichaam er niet goed op reageerde. ‘Onzin,’ zei de co-assistente die me bijstond. Mijn kind lag in een stuit en het was maar de vraag of ze er wel via het geboortekanaal uit zou kunnen. Toch gingen we het proberen. En natuurlijk was ik zenuwachtig. Reden genoeg om aan te nemen dat het gewoon de zenuwen waren, opgeteld bij het voor mij onbekende gevoel van bevallen.

Verhaal in versnelling: er volgde smeerbeurt na smeerbeurt en mijn baarmoedermond brandde, trok, gaf me vreselijke krampen, maar ging niet open. Na 12 lange uren van hevige pijn, constateerde de co-assistente dat ik dan ineens op 9 van de 10 centimeter ontsluiting zat. Voor mij voelde het niet zo. Toch moest ik doorzetten, terwijl ik het gevoel had dat mijn baarmoeder ieder moment kon exploderen. Ik hield me groot, maar hoe groter ik me hield, hoe minder er gebeurde.

Na 12 uren zeuren, smeken en pleiten mocht ik dan eindelijk wat pijnstelling. Maar het hielp geen donder. Ten einde raad, zette ik het op een schreeuwen. Dat viel niet in goede aarde. Ik werd niet gecontroleerd op lichamelijke problemen, maar terechtgewezen op mijn aanstellerij. Omdat ik echt niet meer wilde stoppen met schreeuwen, werd de gynaecoloog er da toch bijgehaald. Mijn vermoeden bevestigd: ik had nog geen beetje ontsluiting. Mijn bed werd naar de OK gerend en mijn dochter werd korte tijd later met een keizersnede gehaald.

Pas om elf uur ’s avonds vond ik de rust om mijn eerste kind uitgebreid te inspecteren. Gejoel en geschreeuw ergens verderop in het ziekenhuis. Het ging door merg en been. Het kwam me bekend voor. Het typische Afrikaanse gehuil als iemand overlijdt. De verpleegkundige kwam het uitleggen. De beveiliging zou ingrijpen. Niets om me zorgen over te maken, maar ergerlijk was het zeker, in haar ogen. Ze gebruikte woorden als ‘dramatisch gedoe’, ‘overlast’, ‘overdreven’ en ‘belachelijk’.

Ik probeerde de verpleegkundige uit te leggen dat sommige volkeren dat doen om de overledene te behoeden voor boze geesten of slechte krachten in de reis naar het hiernamaals, of uit respect voor de nabestaanden, of om de rouw op gang te brengen door gevoelens juist niet op te sluiten, maar eruit te schreeuwen. Wat hier precies aan de hand was kon ik door deuren en wanden natuurlijk niet inschatten, maar een functie heeft het altijd. Het was aan de verpleegkundige niet besteed. Rouwen doe je in alle rust en stilte. En boze geesten en kwade krachten bestaan niet.

Tijdens mijn zwangerschap verbleef ik voor mijn werk in Sierra Leone. Omdat ik ‘veilig’ wilde bevallen was ik teruggekomen naar Nederland. Eenmaal terug in Sierra Leone, deed mijn gynaecoloog daar de nacontroles. Hij stond perplex. Ik had een ingegroeide placenta, dat stond ook in het dossier dat ik meenam naar Nederland. Ik had nooit op de natuurlijke manier kunnen bevallen. Het risico was onaanvaardbaar. Hij vond het een ‘goedkope’ manier om onder een veel duurdere keizersnede uit te komen. En dat ik dat zovele uren zonder pijnstilling had moeten doorstaan, vond hij onmenselijk. Dat vond ik tijdens het bevallen zelf ook, maar ik heb het niet durven zeggen. Ik verbeet me, hield me flink, zoals je dat in Nederland hoort te doen. Het had me mijn leven kunnen kosten. En toch heb ik me dat lange tijd niet gerealiseerd. Ik was de afgelopen jaren, iedere verjaardag weer, vooral trots op mijn ‘flinkheid’.

Ziekte is cultureel

Wat heeft zo’n persoonlijk bevallingsverhaal met corona te maken? Ogenschijnlijk niets, en tegelijkertijd zegt het alles over hoe we met gezondheid, pijn en sterven omgaan. Hoe we tegen die zaken aankijken, staat niet gegoten in ijzeren natuurwetten. We benaderen het vooral vanuit een sociaal en cultureel perspectief. Daar heb ik in Sierra Leone ook andere ervaringen mee opgedaan.

Doorlopen met ziekte vinden ze daar helemaal niet ‘stoer’ of ‘flink’, maar oliedom en onverantwoordelijk. Toen ik eens met een verkoudheid aan het werk wilde gaan, werd ik vrij resoluut terug naar huis gestuurd. Had ik door dat ik anderen kon besmetten? Ik geef toe, nee, dat had ik niet echt door. Ik keek vooral naar mezelf. Ik voelde me niet heel slecht en ik had werk te doen. Ik vond de reacties overdreven.

Ik leefde toen al een tijdje onder de allerarmsten. Ik had het idee dat ik me goed in hen kon verplaatsen. Maar hoewel ik leefde van een klein budget, kon ik me gezondheidszorg veroorloven. En een paar dagen ziek thuisblijven lukte ook. Dat dat voor andere mensen een ondenkbare luxe was, zag ik niet. Het ging mij om mijn eigen gezondheid en die kon wel een verkoudheidje hebben. Dat ik een lange keten van besmettingen op gang bracht die uiteindelijk zou eindigen bij iemand die er ernstige complicaties van kan krijgen, ik was er blind voor. Het ongemak van dagenlang ‘gezond’ thuiszitten woog voor mij zo zwaar, dat ik helemaal niet aan andere mensen dacht.

Een problematische kijk op ziekte en gezondheid

Velen, zo niet een meerderheid van de Nederlanders, zullen zich in mijn verhaal herkennen. Een griepje houdt ons niet zo makkelijk thuis. Dat zit diep in onze cultuur verweven. Niet alleen bij de bevolking. Ook bij de gezondheidsinstituten en de overheid zitten die denkbeelden ingebakken. En daarom zijn uitgerekend wij extra vatbaar voor een virus als corona.

Toen corona net nieuw was in Nederland, veroorzaakte het een nog onbekende ziekte. Hoewel. Onbekend? Niet helemaal. Het ziektebeeld lijkt voor de meeste mensen op dat van een stevige verkoudheid of een griep. Zo werd het nieuwe virus door het RIVM dan ook aan Nederland gepresenteerd. Een ander type griep, waar de bevolking nog weerstand tegen op moest bouwen. Steeds klonk de boodschap; ‘het treft vooral ouderen’. Voor velen onder de jongere generaties was dat een geruststellende gedachte. De ouderen moesten zich maar beschermen, terwijl de jongere generaties gewoon door konden leven. En in Nederland leek dat ook mogelijk, omdat wij met name in kleinere gezinsverbanden met elkaar samenleven. Opa en oma hebben hun eigen woning, of zitten in een verzorgingshuis.

Toch bleek de werkelijkheid complexer. Terwijl de Intensive Cares in Italië overspoeld raakten met corona patiënten en Italiaanse artsen Europa waarschuwden voor de impact van het virus, was er in Nederland geen gevoel van urgentie. Als we allemaal hygiënemaatregelen in acht zouden nemen, en voorlopig even geen handen zouden schudden, zou corona niet zo’n vat op ons krijgen. En zo kon corona zich ongemerkt al onder een groot deel van de bevolking in Noord-Brabant verspreiden.

Veel mensen raakten besmet omdat we het in Nederland ‘normaal’ vinden om gewoon naar buiten te gaan met verkoudheidsklachten of griepverschijnselen. En blijkbaar vinden we het ook normaal om in besmettelijke toestand dichtbij anderen te komen, waar we het aan doorgeven en die het op hun beurt weer doorgeven aan anderen. De anderhalvemeterregel trad in werking: ziek of gezond, alle mensen die geen huishouden met elkaar vormden, moesten zeker anderhalve meter bij elkaar uit de buurt blijven. Want hoewel het lijkt dat je het meest besmettelijk bent als je veel symptomen hebt, kan je toch al voordat je daadwerkelijk ziek wordt een ander mens besmetten.

Het was allemaal niet genoeg. De overheid riep de bevolking op 11 maart op om thuis te blijven bij klachten. Maar in een uitzonderlijke toespraak aan het volk bracht de Minister-President de verwarrende en tegenstrijdige boodschap dat Nederland immuun moest worden. Met een beschermend muurtje om de ouderen en de kwetsbaren heen, moest dan overbelasting van de Intensive Cares worden voorkomen. Nog geen week later belandden we met z’n allen in een ‘intelligente lockdown’. Wie niet per se het huis hoefde te verlaten, moest zoveel mogelijk binnenblijven. Zorgpersoneel, brandweer, politie en medewerkers van het openbaar vervoer moesten met milde klachten door blijven werken. Zonder middelen om andere mensen tegen besmetting te beschermen, ook al kwamen zij in contact met die ouderen en mensen met een kwetsbare gezondheid.

Dat het in Nederland van maart tot en met juni duurde om corona weer enigszins onder controle te krijgen en dat het sociaalmaatschappelijke leven over het hele land nagenoeg stilgelegd moest worden, spreekt boekdelen. Vier maanden zoveel mogelijk thuisblijven om een ziekte met een gemiddelde incubatieduur van 5 dagen terug te dringen. Dat waren niet de besmettingen van het eerste uur die er lang over deden om symptomatisch te worden en een ziektebeeld te veroorzaken.

Mensen bleven te dicht bij elkaar in de buurt komen. Soms om elkaar te verzorgen bij ziekte, elkaar te troosten bij lijden, soms omdat er geen andere keuze was, bijvoorbeeld in de zorg. Maar toch ook, omdat veel mensen nog altijd ‘schijt aan corona‘ hadden. Hun ‘goed recht’, vonden zij. Het voelt tegen-intuïtief om een gezond lichaam te isoleren. Als het eigen lichaam ‘gezond’ voelt, naar de eigen maatstaven, mogen we kennelijk doen wat ons goeddunkt. Dat we met een besmettelijk virus in ons midden afhankelijk van en verantwoordelijk voor elkaar zijn, is abstract en ver weg. Eigen verantwoordelijkheid. We beslissen zelf over ons lot en schatten onze eigen risico’s in. Dat veel roekeloze mensen daarmee de hele samenleving gegijzeld hielden, leek totaal aan hen voorbij te gaan.

Gezondheid en vrijheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden

Nu Nederland weer ‘van het slot’ is en we helemaal zelf verantwoordelijk zijn voor ons gedrag, blijkt uit gedragsonderzoeken van het RIVM keer op keer dat we nog altijd niet terugdeinzen voor sociaal contact. Slechts 10% van de mensen met klachten blijft daadwerkelijk thuis in quarantaine. Ongetwijfeld zijn daar soms dringende redenen voor te bedenken, zoals de essentiële boodschappen of mantelzorg. Maar bijna de helft van de mensen met klachten blijft doorwerken en gaat nog naar de horeca en ruim 70% gaat nog bij familie en vrienden op bezoek.


Bron: RIVM

Hoe komt het dat Nederlanders zo weinig urgentiebesef hebben, terwijl er een pandemie over de wereld raast? En welke denkbeelden liggen aan deze houding ten grondslag? Een RIVM onderzoek uit 2011 geeft een kijkje in het gezondheidsgedrag van de Nederlander.

Uit dit onderzoek blijkt vooral dat gezondheid voor Nederlanders vooral betekent dat je je gezond voelt, niet zozeer dat je gezond bent.



‘Het interne aspect van gezondheid betreft de belevingskant, het ‘goede gevoel’. Het gaat erom dat je tegen jezelf kunt zeggen ‘ik voel me gezond’ en dat kan ook als je een (chronische) ziekte onder de leden hebt. Dat gezonde gevoel bereik je gemakkelijker als je je fit voelt, uitgeslapen bent, als je genoeg energie hebt en als je je geestelijk goed voelt (bijvoorbeeld ‘rust in je hoofd’). Als al deze wijzertjes de goede kant op staan. dan zit je lekker in je vel, dan ‘kan je de wereld aan’, zoals iemand zei. Eveneens geldt voor beide begrippen dat de toestand die als ‘gezond’ wordt omschreven van meer afhankelijk is dan van gezondheid in engere zin. De onafhankelijkheid en vrijheid die bij het externe gezondheidsbegrip hoort, wordt ook bepaald door persoonlijke en sociale omstandigheden. Dat zie je ook bij het interne gezondheidsbegrip. Daar waar het ‘gezonde gevoel’ over gaat in ‘lekker in je vel’ en ‘welbevinden’ zien we een vergelijkbare verbreding naar een gewaarwording waar eveneens tal van persoonlijke en sociale omstandigheden een rol spelen.’

Het gaat Nederlanders in hun gedrag dus vooral om de beleving van gezondheid. Een goed gevoel hebben en de dingen kunnen doen je die je wilt doen. Een kwestie van ‘mentaliteit en instelling’: “‘niet bij de pakken neerzitten en kijken wat je nog wel kunt’.” Ongezondheid zijn betekent dat je niet kunt doen wat je wilt doen. ‘Geen vrijheid, geen energie maar isolement en afhankelijkheid.’ Dat is het gevoel wat de maatregelen tegen de verspreiding van corona bij veel mensen oproepen. Liever met klachten naar buiten, dan voel je je gezond, dan met klachten thuis, dan voel je je ongezond.

Opvallend is ook dat veel Nederlanders hun gezondheid eerder zien als een ‘accu die je af en toe moet opladen’ dan een ‘generator, iets waarin je investeert’. Corona werkt als een schakelaar die ‘elk moment kan omklappen’ en veel onrust met zich meebrengt. Volgens dit RIVM onderzoek veroorzaakt zo’n schakelaar onrust die het moeilijk om je gezond te voelen.

Investeren in gezondheid door middel van preventie, voorkomen dat je ziek wordt, is voor veel Nederlanders geen overheersende factor. ‘Iets voor je gezondheid doen, is vaak iets doen voor het lekkere gevoel. En dat doe je met sporten, met een strandwandeling, door veel water te drinken of door voldoende te slapen. … Veel mensen die met gezond gedrag bezig zijn, doen dat omdat het min of meer moet.’

Corona is vooral ongezellig

Soms horen we verhalen van mensen die ondanks klachten door hun werkgever onder druk gezet worden om te komen werken. Maar van besmettingen via de werkplek horen we weinig. En misschien is het wel tekenend dat net iets meer mensen met klachten nog wel naar horecagelegenheden gaan en veel mensen nog familie en vrienden blijven bezoeken. We zoeken blijkbaar vooral gezelligheid. Ook als we klachten hebben.

In bovengenoemd onderzoek wordt aangehaald dat het blijkbaar zo is dat ‘gezellig zijn en gezond leven moeilijk samengaan en dat je druk vanuit je omgeving voelt als je niet mee wilt doen en voor een gezonde leefstijl wilt kiezen’. De ‘aanzuigende kracht van gezelligheid (bijvoorbeeld op feestjes, maar ook op de werkplek)’ is iets ‘waar je je moeilijk aan kunt onttrekken’. Mensen willen zich als ‘individu niet op een zogenaamd ongezellige manier afzijdig houden’.

Besmettingen vooral ‘in de privésfeer’

Dat ‘gezelligheid’ misschien wel een van de grote bottlenecks is in de bestrijding van corona, valt misschien op te maken uit het bron- en contactonderzoek. Sinds de versoepelingen van 1 juli blijkt Nederlanders vooral besmet raken in de privésfeer: bij familiebijeenkomsten, bruiloften, verjaardagsfeestjes, buurtborrels en recent ook in de horeca. Terwijl men in buurland België vooral besmet raakt op school en werk.

Het bron- en contactonderzoek is in beide landen nog verre van effectief en met name clusters worden gevonden, waardoor het beeld op de keten van besmettingen nog incompleet is. Toch is het verschil tussen de landen veelzeggend. Waar Nederland sinds 1 juli vooral inzet op de terugkeer naar een ‘normaal leven’ zonder al te veel beperkingen en een herstel van sociale contacten, leven onze zuiderburen in sociale bubbels. Per gezin mogen de gezinsleden met maximaal 5 andere personen buiten het eigen gezin samen in een ‘bubbel’ zitten. Afstandsregels gelden dan niet.

Hoewel het in de praktijk niet altijd even goed werkt, lijkt het wel effect te hebben op het verantwoordelijkheidsgevoel. Als je buiten die bubbel onvoorzichtig bent, lopen de mensen binnen je bubbel het risico via jou besmet te raken. Dat maakt je direct verantwoordelijk voor de gezondheid en de levens van je bubbelgenoten. En dat is een inzicht dat in Nederland mist. Bij ons is een besmetting met corona vooral ‘individueel’. En helaas blijkt, in vele gevallen ook een ‘keuze’.

Ondanks een pandemie met verstrekkende consequenties blijft voor de meeste Nederlanders blijkbaar gelden dat je gezond voelen boven gezond zijn staat en dat we de dingen kunnen blijven doen die we willen doen. Dat we onafhankelijk en vrij willen zijn. Dat we dat boven het beschermen van onze eigen gezondheid en dat van anderen stellen. Dat zou geen probleem zijn, als we met onze (on)gezondheid niet direct of indirect verbonden zouden zijn aan 17 miljoen andere Nederlanders. Nederlanders die stuk voor stuk, bij grondwet, een recht hebben op lichamelijke integriteit. Als je onvoorzichtig bent en ik kan bewijzen dat ik enkel via jou besmet heb kunnen raken, dan zou ik je aansprakelijk kunnen stellen voor het verlies van mijn gezondheid. Dat is in juridisch opzicht natuurlijk schier onmogelijk, maar dat pleit ons in moreel opzicht niet vrij.

Wie neemt verantwoordelijkheid?

Dat we met een besmettelijke ziekte in ons midden direct verantwoordelijk zijn voor de mensen om ons heen en dat onze besmetting bij roekeloos gedrag op een dag onvermijdelijk terechtkomt bij iemand die het niet zal overleven, of er onherstelbare gezondheidsschade van oploopt, is een boodschap die onze overheid blijkbaar niet onomwonden durft te brengen. De grote meerderheid van de bevolking lijkt er niet van doordrongen. Helaas geldt datzelfde voor onze politici en wetenschappers betrokken bij het outbreak management.

Toen Nederland aan het hamsteren sloeg, wist onze Minister-President precies op welke knoppen hij moest drukken om dat gedrag linea recta te stoppen. Rutte was hard en onomwonden. Het was asociaal gedrag. Die boodschap kwam zo luid en duidelijk aan dat zelfs de niet-hamsteraars onder ons nauwelijks nog toiletpapier durfden te kopen. Als het om verantwoordelijk gedrag omtrent de volksgezondheid, zijn de boodschappen en maatregelen vele malen minder duidelijk. Het is allemaal ‘mondjesmaat’. Eigen verantwoordelijkheid. Dus hanteren we onze eigen maatstaven. Pijn verbijten we. We zijn flink. We durven anderen niet aan te spreken op hun gedrag. We komen niet op voor onze eigen gezondheid. We willen vooral niet ongezellig zijn. We slepen elkaar mee in onverantwoordelijk gedrag. Corona is en blijft een ‘griepje’. Voor de meesten.

Mijn dochter is nu elf jaar oud. Als verjaarscadeau geef ik haar een stukje ‘gezondheid’. Ik vertel haar mijn bevallingsverhaal. Omdat het mooi is om te delen, maar vooral om haar te leren dat ze haar eigen (pijn)grens nooit moet verleggen vanwege sociale druk. Het kan je zomaar je leven kosten. Of in het geval van een virus: het leven van een ander. Gezondheid is iets waar je in moet investeren. Zonder gezondheid geen leven. En hoe vrij voel je je eigenlijk, als je weet dat je een ander met een dodelijke ziekte opzadelt? Ziekte is niet ‘gezellig’. Nooit. En wie weet, misschien kunnen we de jongere generaties leren een gezonde kijk op gezondheid te ontwikkelen. Daar lijkt me een pandemie een mooi moment voor.

Uitgesteld gevoel

Nienke Ipenburg (37) is verpleegkundig specialist in Rotterdam. Tijdens de eerste coronagolf werd ze bij haar werk in de huisartsenpraktijk geconfronteerd met de onvoorspelhaarheid van de ziekte die volgt op besmetting met corona. Nu de besmettingen in Rotterdam weer oplopen, komen herinneringen naar boven en zet ze zich schrap voor een tweede golf aan coronapatiënten.

De doktersassistente roept. In een waas hoor ik haar zeggen dat ze er al aankomen. Het gaat niet meer, hij is zo vreselijk benauwd. Zijn vriendin belt vanuit de auto. Hij heeft corona. Twee dagen geleden positief getest, maar hij heeft al meer dan een week klachten. Ik tel de dagen na: dit moet dag 8 zijn. Alarmbellen gaan af in mijn hoofd. Ik voel iets misselijkmakends opkomen in mijn lijf. Niet weer! 

Februari, maart en zelfs nog april waren duizelingwekkend. Een onbekende ziekte raasde als een wervelwind door de huisartsenpraktijk. We zagen ècht zieke mensen op de praktijk. Sommigen moesten we doorsturen naar het ziekenhuis. Anderen konden thuis uitzieken. De telefoon ging non-stop. Vragen. Zorgen. Angsten. Onmacht. En onvermijdelijk veel tranen. Sommige patiënten zagen we nooit meer terug. Sommige collega’s werden zelf die patiënt. Gebrek aan kennis. Gebrek aan beschermingsmiddelen. Ik herinner me de dagen dat ik huilend van mijn werk kwam.
 

In mei, juni en juli keerde het tij. We raakten gewend aan de nieuwe situatie. De aanhoudende klachten na een coronabesmetting, maar ook de soms diepe, gitzwarte rouw van verlies in alle facetten. Raakten we eraan gewend? Niet echt. Het went eigenlijk nooit. 

Routinematig help ik de nog wachtende patiënt. Maart raast door mijn hoofd. Geen tijd voor, niet nu. De rest van het spreekuur wordt afgebeld. De praktijk gaat dicht. Snel maken we de corona spreekkamer op orde. Heb ik alles bij de hand? Ik pak de beschermende kleding. Ik zie de blik van de doktersassistente. Geruststellend, kalmerend. Ze staat klaar en knikt bemoedigend. Voor haar veiligheid blijft ze op de achtergrond. Ze staat altijd klaar om bij te springen. Ze is mijn veilige haven, ondanks haar eigen verlies. Of is het juist dankzij dat verlies? 

Weer dat gevoel. Ik haal diep adem en kleed me aan. Geklop op de deur. Ze zijn gearriveerd. ‘Gelukkig, hij loopt nog,’ schiet door mijn hoofd. Ik kijk beter en zie hoe hij ondersteund moet worden. Zijn ogen staan vermoeid, de twinkeling is weg. 

Ik sluit een metertje aan om zijn zuurstof te meten, terwijl ik naar zijn ademhaling luister. Niet eens zo snel, wel oppervlakkig en zwak. Het getalletje verschijnt in beeld. 80%. Ik hou nu mijn adem in, wacht nog even af en kijk gespannen naar het beeld. Voor mijn gevoel minutenlang. Langzaam loopt het getal op. 88%. Nog steeds niet goed, maar toch. Ik luister naar zijn longen. Corona doet zijn dans door de kleinste vaatjes. Maar wat ik hoor, heeft nauwelijks iets met muziek te maken. Het piept en het kraakt net zo hard als het overbelaste, niet zorgende zorgstelsel. Zonder fundament, met af en toe een ijzingwekkende stilte. 

Ik kijk op en zie de tranen in de ogen van zijn vriendin. “We zijn maar één keer wezen winkelen,” zegt ze zacht. De GGD denkt dat hij daar de besmetting heeft opgelopen. Weer dat vreemde gevoel. Weer druk ik het weg. Eerst zorgen, de rest komt later. Gelukkig komt de ambulance heel snel. Het ziekenhuis is op de hoogte. Hij is in goede handen. 

Het liefst wil ik mijn masker meteen afrukken. Ik kijk naar de chaos in de kamer. Ik voel de chaos in mijn hoofd. Eerst schoonmaken en volgens protocol uitkleden.Thuis kan ik eindelijk mijn dikste masker afzetten; een beschermlaag die dieper gaat dan FFP2. Zachtjes huil ik en vraag me af, is dit nu wat ze bedoelen als ze zeggen: de zorg is er nog niet klaar voor? 

Nienke Ipenburg
Volg Nienke op Twitter

Corona knaagt aan het geweten


De coronapandemie knaagt aan alle uithoeken van mijn brein. Het vreet zich een weg door mijn hart, waar gevoelens door rationele argumenten doorboord worden. Corona splijt mijn brein, vindt zich een weg naar buiten door mijn oogkassen waar het tegen het schild van de wetenschappelijke bril opknalt, om daar met de klinische blik onschadelijker gemaakt te worden dan het eigenlijk is.

Ik wik en weeg, theorie boven emotie. Ik laat me zorgvuldig uit. Niet alarmistisch zijn. Niet te pessimistisch zijn. Hou het wetenschappelijk. Hou afstand. De ironie. Niemand die in een crisis leeft, kan beweren dat het hem onbewogen laat. De mens overheerst de wetenschapper. Hoe we met een wetenschappelijke bril naar een crisis kijken, is ingegeven door onze menselijke normen en waarden. Geen mens kan zich losmaken van zijn eigen kaders. En dat is wat een goede wetenschapper kenschetst, als je het mij vraagt. Weten vanuit welke overtuiging je kennis vergaart. Waar zit je blinde vlek? Wat zijn je vaste overtuigingen? Hoe beïnvloedt dit je denken en de beslissingen die je neemt? Hoeveel moeite doe je om je hypothese te falsificeren? En wees daar open over. Verantwoord waar je ‘kennis’ vandaan komt. Vooruit.

Als antropoloog vind ik de complotdenkers, de ‘vrijheidspropagandisten’ en de viruswaarheid-fanaten mateloos interessant. Dit is niet mijn eerste crisis. En dit zijn niet de eerste ‘complotdenkers’ waar ik me over buig. Tijdens de ebola-epidemie in Sierra Leone heb ik velen van hen gesproken, met ze samengewerkt en ik ben ze ook na de epidemie blijven volgen. Ik zie geen verschil tussen de Nederlandse coronavariant en de Sierra Leoonse ebolavariant. Uit ervaring weet ik: zij zijn het probleem. Door roekeloosheid en onachtzaamheid blijft zo’n virus verspreiden, dat is een open deur. Maar naast een direct gevaar, vormt hun indirecte invloed op de samenleving en de politiek een veel groter gevaar. Hun roep om vrijheid, hun geforceerde handelen, het heeft allemaal zijn uitwerking op beleid en ons denken. Ze zijn onze ‘fearless peers’: ze feesten, ze gaan tekeer, trekken zich van afstandsregels niets aan, ze leven, ze komen niet in het ziekenhuis terecht. We observeren, beoordelen het risico als ‘laag’ en imiteren. De beleidsmakers zien reden om soepeler met de regels om te gaan. Wat onzichtbaar blijft: dat velen van hen wel in ziekenhuizen, op de IC’s en op een sterfbed komen te liggen. Dat is de kant die onbelicht blijft.

Hoe moeilijk het ook is om dit te zeggen: een goed deel van de mensen die wordt getroffen door corona, heeft dat aan de eigen roekeloosheid te danken. En daarom horen we die verhalen niet. Het blijft verborgen. Hoe mensen dan toch met corona besmet zijn geraakt blijft in veel gevallen een mysterie. Als de GGD belt, worden die contactmomenten die uit roekeloosheid zijn ontstaan vaak verzwegen. Soms moet je lang en hard graven voordat je de waarheid op tafel krijgt. En soms lukt dat helemaal niet. Sommigen van hen hebben de dood van een dierbare op hun roekeloze conto moeten schrijven. Ze worstelen met die waarheid. Sommigen blijven dat ontkennen. Ik heb vele trauma’s zien ontstaan bij de ebola-ontkenners. Ik heb ze de afgelopen jaren gevolgd. Het blijft hun gewetens plagen. En zo heb ik mijn eerste Nederlandse coronaverhalen ook aan mogen horen. Er is geen verschil.

We zien in de coronapatiënt graag de volmaakte onschuld, overvallen door een ongrijpbaar en onzichtbaar virus. Maar dat beeld klopt niet met de werkelijkheid. Een coronapatiënt is óf slachtoffer van het eigen gedrag, óf van dat van een ander. Zolang we dat niet begrijpen, zullen we corona niet kunnen bestrijden. We blijven weifelen. Is dat virus nou zo gevaarlijk? Hoe kunnen we het tarten? Hoe kunnen we het te slim af zijn? Hoeveel risico kunnen we eigenlijk nemen? We verleggen de grenzen steeds een stapje verder richting de roekeloosheid. We willen terug naar normaal. We zijn niet bereid te accepteren dat we als samenleving uitdagingen en bedreigingen het hoofd moeten bieden. Samen. En dat we er als geheel weer uit moeten komen.

Als mens denk ik: De stomvervelende eindeloze discussies over ‘natuurgeweld’, ‘virussen zijn een manier van de natuur om met overbevolking af te rekenen’, het komt me mijn neus harder uit, dan een virusdeeltje dat ooit zou kunnen doen. Welk natuurgeweld? Corona is een stukje genetisch materiaal met een eiwitmantel eromheen. Op zichzelf weinig indrukwekkend en onschadelijk. Totdat het zich een weg vindt naar een gevoelige drager, waar het onherstelbare schade kan aanrichten tot de dood erop volgt. Van een dierlijk reservoir overgebracht op een mens, en daarna van mens – op mens – op mens – op mens, over de hele wereld verspreid. Omdat het virus onzichtbaar is, lijkt het ongrijpbaar. We lijken er weerloos tegen. Alsof het ons zomaar kan grijpen. Maar zo werkt het niet. Corona moet over kunnen ‘springen’, van mens op mens. Als geen potentiële drager dicht bij dat stukje virus in de buurt komt, of niet in een afgesloten ruimte met het virus samen rondwaart, kan het zich niet meer reproduceren en dan is het … einde aan dat stukje genetisch materiaal met een eiwitmantel eromheen. Zo eenvoudig is het.

Waarom lijkt het dan toch zo onmogelijk om dit schijnbaar ontzaglijke ‘natuurgeweld’ te bestrijden? Dat komt niet door het virus zelf. Het is geen natuurgeweld. Mensen brengen dit virus op elkaar over. De natuurlijke natuur komt daar verder niet meer aan te pas. Het is de menselijke natuur, of menselijk ‘geweld’, dat de bestrijding van dit virus moeilijk maakt. Hoe pijnlijk die boodschap ook is om te aanvaarden.

Dat zit me dwars. Dat dat maar niet tot ons door lijkt te willen dringen. We willen dat rotvirus niet. Het belemmert ons in onze bewegingsvrijheid. We willen kunnen gaan en staan waar we willen. We willen de risico’s zo nauwkeurig mogelijk inschatten. Tot welk uiterste van welk uiterste kunnen we gaan? Bij gebrek aan echte wetenschap vullen we de risico’s zelf maar in. Volkomen begrijpelijk, want dat doen de echte wetenschappers immers ook. Weten we het niet zeker? Dan levert het geen risico op. Althans. In Nederland. Er zijn ook landen die andersom redeneren. Hier tarten we liever het lot. Zolang Diederik Gommers niet met waterige ogen bij Op1 is komen vertellen dat de IC’s het niet meer redden, is het ‘alle seinen veilig’. Gommers, een hart van goud en een onwaarschijnlijk fijn vaderlijk figuur, is ons baken geworden waarop we koers uitzetten. Niet vreemd, want we zoeken toch ergens een houvast.

Niets ten nadele van Gommers. Hij is misschien wel hèt toonbeeld van empathie in deze crisis. Want bij andere prominente persoonlijkheden die aan de frontlinie staan, is het menselijk gevoel ver te zoeken. Onze eeuwig studentikoze Minister-President snakt naar de kroeg en houdt zich bezig met de voorraad toiletpapier die we er in onze huishoudens op nahouden, niet met de stervenden in de verpleeghuizen. Hugo de Jonge praat zo ontzettend veel dat je na twee zinnen al niet meer weet waar het over gaat en dat hoeft ook niet. Bij De Jonge moet je vooral tussen de regels door kunnen lezen; als De Jonge op televisie zijn zorgen uitspreekt, weet je dat er buiten beeld een versoepeling wordt doorgedrukt die even onethisch als onverantwoord is. En onze journalisten hebben maar een harde kluif aan de kritische noot. Geen paniek veroorzaken. Overheidsbeleid niet ondermijnen. De verantwoordelijkheid lijkt voor velen te zwaar om te dragen. En wij burgers? De ene helft is verlamd en de andere helft staat als een stel halfgare, stampvoetende peuters op het Malieveld om ‘vrijheid’ te dreinen. Willem Engel voorop, die het coronabeest met zijn opgeheven vuist en wilde manen als een soort moderne Samson in één woord onschadelijk maakt: “Onzin!”

Het bekt ook lekker: ‘Vrijheid’. Het is in onze samenleving het hoogste goed. We willen niets aan elkaar opofferen. We zijn individuen die zich door niemand laten belemmeren. We moeten leven. Nu. Volop. Het onderste uit de kan halen. Pluk de dag. Iedere godganse dag weer. Vrijheid. Ten koste van alles, en iedereen. Het is onderdeel van de holle tsjakka cultuur waar we ons door hebben laten inpakken. Gladde praat van zelfhulpgoeroes die ons wijsmaken dat we met positieve gedachten de meest ernstige rampspoed kunnen afwenden. Als we de negativiteit niet in ons brein toelaten, bestaat het niet. Het geheim van onze gedachtenkracht. We kunnen de wereld naar onze handen zetten. Corona mag geen spelbreker zijn. We gedachtenkrachten dat virus gewoon weg, of degraderen het tot een ‘griepje’. Hocus pocus pilates pas.

Natuurlijk, iedereen heeft zo zijn eigen manier om met dreiging om te gaan. Vechten of vluchten. We denken dat we het in die context over het virus hebben, maar eigenlijk hebben we het over elkaar. Mensen die zich onschendbaar wanen voor corona, brengen met hun roekeloosheid anderen in gevaar, bijna met ongekende agressie. Ze eisen dat de samenleving voor hen doordraait. De caissière met COPD moet door haar werkgever gedwongen worden de boodschappen te scannen. De pakketbezorger met nierschade moet tot aan de voordeur blijven komen. De juf met suikerziekte moet hun kind fysiek onderwijs blijven geven. De verpleegkundige met verminderde weerstand moet hen zorg blijven bieden. De zero positieve buschauffeuse moet hen blijven vervoeren. Iedereen moet ‘normaal’ doen. Want het leven is kort en ze moeten nú leven. Nú, nú, nú. Het risico voor een ander kunnen zij, poef, met één woord weg relativeren: ‘Angsthaas’. De behoefte of noodzaak van de ander om zichzelf tegen een potentieel dodelijke ziekte te beschermen gaat deze mensen ver boven de pet. Ze achten het leven van een ander net zo weinig waard als dat van henzelf. Ze hekelen massaal het ‘nieuwe normaal’ en willen zo snel mogelijk weer terug naar het oude. Alsof een samenleving niet altijd al voortdurend verandert. We stagneren in oude denkbeelden die niet bij een crisis passen en zijn daardoor blind voor onconventionele oplossingen. Waar wij out of the box zouden moeten komen en corona erin, doen wij dat andersom.

Bijna zeven maanden corona. Mijn wereldbeeld, mijn ideeën over de natuur, gezondheid, wetenschap, medemenselijkheid, integriteit, ethiek respect voor leven en waardig sterven, het staat allemaal compleet op z’n kop. Ik stel mezelf de existentiële levensvragen, het knaagt. We zwijnen als land door de grote drama’s heen: enerzijds door ze te verzwijgen, anderzijds door onze risicogroepen indirect te dwingen zich te isoleren van de samenleving. Hoe moeilijk we het hen maken, zodat de ‘vitalen’ onder ons in ‘vrijheid’ kunnen leven. De kinderen gaan naar school, natuurlijk, want onderwijs is belangrijk. Als ze een paar weken fysiek onderwijs moeten missen, raken kinderen onherstelbaar beschadigd. Dat ze opa en oma niet kunnen knuffelen, of zelfs niet zien, och, dat doet een kind niets. Dat durven we met droge ogen te beweren. Alsof onze kinderen kleine cognitieve robotjes zijn. En de opa’s en oma’s, die denken we voor het gemak gewoon even weg. Er zal vast een of andere BN’er die in een talkshow wil komen vertellen dat zijn of haar ouders dat helemaal niet erg vinden, dus dan geldt dat voor iedereen. Gewoon doorlopen. We walsen al stampvoetend over miljoenen gevoelens heen. Gevoelens die nog lang na corona blijven kwetsen. Longcovid. Collateral damage. Aanvaardbaar. Dan moeten ze maar naar een psycholoog. Tenminste, als de premie van het basispakket maar niet omhooggaat.

Dat mensen compleet in de verdrukking komen, dat we hen door werk, school, schoolgaande kinderen, zorg, persoonlijke verzorging of sociale druk bewust blootstellen aan risico, willen we niet horen. Twee tot vier miljoen mensen. Alsof we ze uit de samenleving weg kunnen denken. Op social media is het lekker ze nog verder een hoek in te drijven: ‘Aansteller, angsthaas’. Meestal IN HOOFDLETTERS en gevolgd door !!!!1!1!! Hoeveel stress levert dat op bij mensen in de risicogroepen? Hoeveel zelftwijfel? Hoeveel zorgelijkheid? En is het gerechtvaardigd hen 7 maanden uit te sluiten? Hun belangen totaal niet te zien? En hoe zit het met de rest van de samenleving? Zij die deze mensen willen beschermen? Hun gezinnen? Henzelf? Hun geliefden? Zij zijn van ondergeschikt belang aan de vrijheid van een minderheid van schreeuwlelijken. Ze worden niet hard op hun plaats gezet. In plaats daarvan krijgen ze een mooi podium in de om kijkcijfers strijdende talkshows. Beleid wordt op hun zucht naar vrijheid afgestemd. Wie het hardst schreeuwt, krijgt zijn zin.

Als zo’n virus nieuw is in de samenleving, is de verspreiding voor iedereen een mysterie. Natuurlijk moet je dan naar alle invalshoeken luisteren. In gesprek gaan. Uitleggen. Geduld hebben. Maar als je merkt dat mensen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid, of de samenleving als geheel, is het tijd rationeel te handelen. Als antropoloog heb ik die kennis al eens eerder opgedaan. Als je niet ingrijpt, nemen roekeloosheid en nalatigheid de overhand. Het virus laat zich verspreiden. Er sterven mensen. Anderen worden chronisch ziek en de economie krijgt zulke harde klappen, dat we daar over tien jaar nog de sterretjes van zullen zien.

Je kunt naar deze mensen blijven luisteren en hun zin blijven doen. Het heeft echter grote consequenties. In dit proces raakt een meerderheid in de samenleving de zelfbeschikking, de autonomie en de lichamelijke integriteit kwijt. We kunnen en mogen onszelf niet beschermen tegen een nog onbekend en schadelijk virus. De overheid kan ons dwingen het virus onze huizen binnen te laten door verplichtingen op werk en school. De overheid bepaalt welk risico voor ons aanvaardbaar is. En dat is waanzin. Als antropoloog moet ik rationeel blijven, zeker als ik met de politiek wil praten. Oog hebben voor de ‘andere kant’. Welke andere kant, vraag ik me af. De volksgezondheid zou op nummer 1 moeten staan. Iedereen heeft daar recht op. Mensen die de volksgezondheid in gevaar brengen, zijn niet ‘de andere kant’. Ze leggen een bom onder de samenleving. De grote meerderheid draait op voor hun roekeloosheid. Het zet veel mensen in de verdrukking. De samenleving in haar geheel loopt grote schade op. Dat zie ik, ik hoor de persoonlijke verhalen, ik heb het al eens meegemaakt. Die wetenschap uitdragen, het wordt niet gewaardeerd.

Intussen knaagt het zich een weg door mijn geweten. De diplomatie breekt me op. Hier is een breekijzer voor nodig. Ik hou me in. Ik zeg niet wat ik zou willen zeggen. Maar het frustreert me wel. Temeer omdat ik weet dat juist door roekeloze mensen deze crisis nog heel erg lang gaat duren. En door politici die de ruggengraat niet hebben om dit veelkoppig beest te lijf te gaan. Ik wik en weeg, theorie boven emotie. Ik laat me zorgvuldig uit. Niet alarmistisch zijn. Niet te pessimistisch zijn. Hou het wetenschappelijk. Hou afstand. Geen tirades over de verpleeghuisdoden. Geen emoties over de doden die niet eens in onze statistieken opgenomen mogen worden. Geen emoties, punt. Maar het vreet aan mijn geweten. Want net als de meesten van ons, zie ik hoe volkomen onethisch we met deze crisis omgaan. Hoe weinig het menselijk leven hier eigenlijk waard is. Hoe koud en kil we over het leven van een ander denken. Al helemaal als dat leven niet volmaakt ‘vitaal’ is. Dat we niet voor elkaar willen zorgen. Dat we eigenlijk helemaal niet eens een heel klein beetje solidair zijn met elkaar. Dat we mensen willens en wetens in gevaar brengen. Door binnen coronabereik te komen. Door ze te dwingen zonder mondkapje te werken. Door ze te dwingen zorg te ontvangen die niet veilig is. Door ze naar scholen te sturen waar corona ‘rondwaart’. Dat we dat allemaal onder het tapijt blijven vegen en dat het niet eens bespreekbaar is. Je mag het niet benoemen, dat veroorzaakt paniek. Het is te alarmistisch. We moeten nuchter en kalm blijven. Alsof corona zich weg laat relativeren. Nou. Dat raakt me. Het raakt me. Het raakt me, punt.

Hoe belangen het Nederlandse testbeleid frustreren. En hoe het anders kan.

Dossier Testbeleid Corona
Lees het hele dossier hier


De Nederlandse overheid heeft gekozen voor een strategie van maximale controle op de verspreiding van het coronavirus. In dit beleid is het ‘testen, traceren, isoleren’ (TTI) een belangrijke pijler om ‘kleine brandjes die oplaaien snel uit te trappen’. De rijksoverheid beoogt een ambitieuze en effectieve aanpak op testen en traceren om het maatschappelijk verkeer ‘zoveel als mogelijk en verantwoord door te laten gaan’. Door het intensief testen van alle personen met klachten passend bij corona en een daarop aansluitend bron- en contactonderzoek, wil de rijksoverheid de keten van besmettingen doorbreken. Met dit beleid wijkt Nederland af van de strategie die de landen om ons heen inzetten om het coronavirus te bestrijden. De mobiliteit en het aantal sociale contacten per persoon worden in Nederland zo min mogelijk beperkt, waardoor de druk op de testcapaciteit groot is. Een ambitieus plan dat staat of valt met de beschikbaarheid van voldoende testcapaciteit. Tot nu toe is het Nederland niet gelukt het testbeleid voldoende adequaat te laten functioneren. In dit dossier onderzoeken we de geschiedenis, de knelpunten en doen we een aantal aanbevelingen om het testproces soepeler te laten verlopen. 

Eerste besmettingen

Op 27 februari wordt live op TV de eerste officiële coronabesmetting in Nederland bekendgemaakt. Het gaat om een man uit Loon op Zand. De tweede besmetting wordt in de nacht van 28 februari vastgesteld bij een vrouw in Diemen. Beide patiënten raakten besmet tijdens verblijf in het Italiaanse Lombardije. GGD en RIVM zetten de gebruikelijke middelen in om een infectieziekte in een vroeg stadium op te sporen: testen, traceren van besmette(lijke) personen en isolatie van besmette personen en hun contacten (TTI). Het Landelijk Centrum Infectieziekten van het RIVM stelt een casusdefinitie op voor de opsporing van nieuwe besmettingen: Alleen personen die in de voorafgaande 14 dagen teruggekeerd zijn uit een risicogebied of in direct contact zijn geweest met een bewezen besmette persoon, met de klachten koorts èn hoesten of kortademigheid, worden als ‘coronaverdacht’ aangemerkt. 

Vanaf het allereerste bevestigde geval is het testbeleid in Nederland restrictief en ook de casusdefinitie voor covid is strikt: als een verdachte patiënt niet alle symptomen vertoont, wordt niet getest op SARS-C0V2. Daardoor kan het virus zich ongemerkt onder met name de Brabantse bevolking verspreiden. In die eerste dagen wordt vrijwel niemand getest. Alleen voor heel verdachte gevallen mogen de huisartsen de GGD bellen, maar ook dan krijgen ze vrijwel altijd ‘nee’ te horen. Het AD reconstrueert dat ‘een hoge dam wordt opgeworpen voor onderzoek naar mensen met luchtwegklachten zonder aanwijsbare oorzaak.’ 

Arts-microbioloog Peter Schneeberger verzucht in zijn terugblik over de eerste Covid-19 patiënten in Bernhoven: “Aan het einde van die eerste week in maart zijn in Ziekenhuis Bernhoven 17 patiënten positief met corona. Geen van de patiënten voldoet aan de casusdefinitie die het Landelijk Centrum Infectieziekten (LCI) op dat moment hanteert, koorts en luchtwegklachten en een verblijf in China of Noord-Italië.” Schneeberger gaat dan op onderzoek uit. Eind februari liggen er veel patiënten met griepverschijnselen in zijn ziekenhuis, die ook wel eens corona onder de leden zouden kunnen hebben. En dus gaat hij meer testen dan het RIVM adviseert. ‘Van onze eerste vijftien coronapatiënten was niemand in China of Italië geweest’, zegt Schneeberger. ‘Als we ons aan de regels van het RIVM hadden gehouden, hadden we die patiënten nooit gevonden.’ Doordat Schneeberger de eerste patiënten snel in het vizier heeft, weet hij al voordat de eerste Nederlandse coronapatiënt overlijdt dat Uden een brandhaard is.

Het Streeklab Haarlem is één van de laboratoria in Nederland dat toegerust is op het snel kunnen testen van monsters van grote aantallen patiënten. Het lab staat in de startblokken om te testen, maar wordt door de Haagse GGD niet ingeschakeld. Van het RIVM krijgt het lab geen eerste samples met virusmateriaal als referentie om de machines af te stellen. Als arts-microbioloog Jan Sinnige van het Streeklab het RIVM vraagt een monster van een patiënt te testen die helemaal binnen de casusdefinitie valt, wordt dat geweigerd. Drie dagen later ontvangt het lab dan toch samples met virusmateriaal en kunnen ze de patiënt zelf testen: die test slaat positief uit. 

Bij het RIVM blijft intussen veel testcapaciteit ongebruikt. ”Capaciteitsgebrek is nooit een reden geweest om niet te testen,” liet Chantal Reusken top-expert virologie bij het RIVM aan het AD weten. Uit haar relaas blijkt dat de gezondheidsdienst het niet nodig vond om veel te testen: “In het begin draaiden we ieder monster meteen bij binnenkomst. Dit was omdat er maar weinig monsters binnen werden gebracht. De machine waarmee de samples worden geanalyseerd, heeft evenwel een capaciteit van ongeveer negentig monsters. Het is te vergelijken met de afwasmachine aanzetten met slechts één kopje erin.”

In diezelfde periode kleurt Jan Kluytmans naar eigen zeggen ‘buiten de lijntjes’ door zorgpersoneel te testen en vindt 10 besmette medewerkers zonder direct patiëntencontact. Bij een steekproef van het RIVM in Brabantse ziekenhuizen blijkt 4% van de medewerkers besmet. Het team van viroloog Marion Koopmans stelt dan met sequencing vast dat er in Bernhoven 8 verschillende stammen circuleren. Hoewel er op dat moment officieel 121 besmette gevallen van corona in Nederland zijn, is er dan al sprake van ongecontroleerde verspreiding onder de bevolking van Noord Brabant. 

Ongecontroleerde verspreiding door restrictief testbeleid

Ann Vossen (OMT lid) waarschuwt als voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Medisch Microbiologen (NVMM) in een brief aan Jaap van Dissel, dat het restrictieve testbeleid een onjuist beeld geeft van de virusverspreiding in Nederland. De vereniging stelt dat de RIVM-data onterecht de indruk geven dat het meevalt met de stijging van het aantal besmettingen. De leden roepen op tot ingrijpen voor het te laat is: ‘meer testen om zicht te houden op verspreiding, ingrijpende maatregelen om de verspreiding af te remmen’. Andere OMT leden zien daar het nut niet van in. Marion Koopmans ziet in de resultaten van het genetisch onderzoek bewijs dat het coronavirus in Nederland niet meer op korte termijn uitgeroeid kan worden.  

Op 12 maart, twee weken na de eerste bevestigde besmetting in Nederland, besluit het RIVM het testen, traceren, isoleren los te laten. Ongemerkt heeft corona zich al onder de radar verspreid. Vanwege de wereldwijde vraagexplosie, verwacht het OMT een tekort aan testmaterialen. Omdat de laboratoria voldoende testcapaciteit willen behouden voor kritische zorg, adviseert het OMT buiten het ziekenhuis alleen nog personen te testen met een verhoogde kans op ernstig ziektebeloop. De GGD’en hebben niet genoeg personeel om veel testen af te nemen en het bron- en contactonderzoek vol te houden. Treurig gevolg van deze bevindingen is dat het testbeleid voor heel Nederland wordt losgelaten, terwijl het eigenlijk alleen in Noord Brabant niet haalbaar is. 

Noord-Nederland kiest voor eigen beleid

In Noord Nederland is er een betere startpositie: door een vroegere voorjaarsvakantie dan in het zuiden en geen grootschalig carnaval, is daar nog weinig verspreiding. Bovendien lijkt men in Noord-Nederland beter te zijn voorbereid: op 30 januari vond al een eerste voorlichtingsbijeenkomst plaats over corona. Via REMIS is er een al lang bestaande regionale samenwerking en op 6 maart besluit het Bestuurlijk ROAZ Noord-Nederland een Strategisch Kernteam covid-19 in te stellen. 

Ate van der Zee en Jos Rietveld zijn verantwoordelijk voor de twee ‘uiteinden’ van het regionale zorgstelsel in Groningen; het UMCG en GGD Groningen. 

Alle deelnemende partijen (ziekenhuizen, huisartsen, GGD’en, ambulancediensten, huisartsen, laboratoria, verpleeghuizen en verzekeraars) ervaren een gezamenlijke verantwoordelijkheid; het gangbare concurrentiebeginsel in de sector is stilzwijgend uitgeschakeld en men is bereid elkaar te helpen, ook al is dat soms niet in het belang van de afzonderlijke instellingen. Doordat het UMCG laboratorium meerdere testplatforms heeft, zijn er veel minder beperkingen in de testafname. In tegenstelling tot vele andere medisch-microbiologische laboratoria is het UMCG niet afhankelijk van de apparatuur van Roche, zij hebben meerdere machines staan en kunnen bij uitval makkelijk overschakelen naar een ander systeem. Medio maart biedt het UMCG de GGD Groningen aan om op grote schaal medewerkers van andere zorginstellingen te testen, ook personeel van verpleeghuizen en mantelzorgers. 

Arts-microbioloog Alex Friedrich dringt aan op meer testen. Dat er onvoldoende testcapaciteit is, wil er bij Friedrich niet in; die wordt volgens hem automatisch vergroot als er een topprioriteit is: “Dan zie je allerlei ontwikkelingen in de markt en worden er bruggen gebouwd. Als laboratoria weten dat het prioriteit is om te testen dan zetten ze alles op alles. Er wordt dan van alles in gang gezet om te zorgen dat het wel kan.” 

Door een beleid te voeren van ‘testen, testen, testen’, houdt het noorden van Nederland zicht op de verspreiding, maar wordt voor het afwijkende testbeleid wel op de vingers getikt door minister de Jonge. Eind maart besluit VWS echter het testbeleid in Groningen alsnog landelijk na te volgen. Meer testen kan dan, blijkt, wel. Maar, zegt Friedrich, “er was onvoldoende bewustzijn dat het nodig was.”

Geen zicht op testcapaciteit

Terwijl in maart de besmettingen in snel tempo oplopen, heeft de rest van Nederland helemaal geen zicht meer op de verspreiding. Nederland heeft dan, met minder dan 2.000 testen per dag, misschien wel een van de meest restrictieve testbeleiden ter wereld.

Zorgorganisatie Vivent probeert begin maart haar medewerkers te laten testen, maar wordt door het RIVM geweigerd. Verpleeghuismedewerkers moeten met klachten ongetest thuisblijven, maar dat is praktisch nauwelijks uitvoerbaar. Het personeel moet noodgedwongen aan het werk en besmet op die manier, ongewild, een flink deel van de verpleeghuisbewoners. Sommige laboratoria blijken wel testcapaciteit te hebben, maar weigeren de tests uit te voeren, omdat zij daartoe geen opdracht krijgen van RIVM en GGD. Er ontbreekt een landelijk overzicht van beschikbare capaciteit. Om overzicht te krijgen wordt Feike Sijbesma landelijk coronagezant; hij zal alle testcapaciteit in Nederland in kaart gaan brengen en de laboratoria van voldoende voorraden aan testmaterialen voorzien. 

Begin april gaat het Landelijk Coördinatiecentrum Diagnostische Keten (LCDK) van start, dat er voor moet zorgen dat tekorten opgelost worden en meer testcapaciteit gecreëerd wordt. Andere labs zullen bij het testbeleid betrokken worden. De voorgenomen herverdeling stuit op weerstand: ‘Het is ”ongewenst” en heeft “risico’s” om de andere labs zelfstandig diagnostiek te laten doen’, schrijft de vereniging van microbiologen in een intern stuk. Bij die labs staat namelijk geen arts-microbioloog aan het hoofd die de kwaliteit van de tests kan bewaken, de resultaten goed kan interpreteren en verder kan zoeken als hij de uitslagen niet begrijpt. … In een mail van 5 april schrijft Ann Vossen, voorzitter van de NVMM en OMT-lid aan haar mede-microbiologen: “Wij blijven er voor strijden dat ook dan [als de nieuwe labs meedoen] de medische microbiologische labs in de lead blijven.” Maar, meldt het NRC, de bezwaren van de medisch-microbiologen zijn niet alleen inhoudelijk: Voor een deel van de hen beïnvloedt de omzet van hun lab hun inkomen. Daarnaast zijn ze bang om hun grip op de Nederlandse testmarkt kwijt te raken als de markt overgenomen wordt door ‘grote anonieme testfabrieken’. 

Als Vivent vanaf 15 april de eerste testen laat uitvoeren zijn die in het begin bij de helft van alle personeel met klachten positief. De problemen rond het testen zijn dan nog steeds niet opgelost. Maandenlang vragen zorgbestuurders VWS om meer testen voor de langdurige zorg. ‘Medewerkers zijn niet alleen bang zichzelf en hun eigen families te besmetten, maar ook de mensen voor wie ze zorgen. Waarom kunnen patiënten en medewerkers niet vaker worden getest? Binnen veel afdelingen in verpleeghuizen leidt het gebrek aan zicht op de problemen tot grote oversterfte. 

Uitbreiding testcapaciteit, maar voornamelijk op papier

Om in de steeds toenemende vraag te kunnen voorzien moeten de laboratoria snel opschalen. Uit efficiëntie oogpunt zijn de voorraden aan materialen minimaal en blijken veel laboratoria bovendien afhankelijk van dezelfde leverancier. Het verdeelschema is op dat moment ‘eerst de ernstig zieke patiënten, daarna de zorgmedewerkers in de ziekenhuizen, daarna de huisartsen en pas daarna de verpleeghuizen en hun cliënten. In dezelfde periode had Duitsland geen tekort aan testcapaciteit’. 

VWS laat in een update LCW op 17 april weten dat Nederland nu over voldoende laboratoriumcapaciteit en testmaterialen beschikt: ‘Er zijn inmiddels meer dan 40 laboratoria gevalideerd, of in het proces van validatie, voor COVID-19 diagnostiek. Daaronder vallen zowel medische microbiologie laboratoria als enkele niet-medische laboratoria. Samen vormen zij het ‘Landelijk laboratoriumnetwerk COVID-19’.’ Sanquin, de vijf laboratoria voor HPV-bevolkingsonderzoek, WBVR-Lelystad en GD in Deventer worden ingezet als opschalingslabs, de zogenaamde ‘pandemielabs’. Met de nu beschikbare capaciteit kunnen bij normale werkuren 17.500 testen per dag uitgevoerd worden en wanneer de werktijd wordt uitgebreid kan dit aantal verhoogd worden naar 29.000 per dag. 

Eind maart stelt het Duitse lab Labor Dr. Wisplinghoff via haar Nederlandse partner-laboratorium  U-Diagnostics per direct een testcapaciteit van 3.000 testen per dag ter beschikking. Terwijl in sommige verpleeghuizen dan al sprake is van grote oversterfte, wordt van deze capaciteit geen gebruik gemaakt. Het laboratorium, dat vanaf het begin van de coronacrisis in Duitsland al vele testen uitvoert, moet eerst een Nederlands certificaat krijgen waaruit blijkt dat het lab aan alle Nederlandse eisen voldoet. Maar ook als het bedrijf dat certificaat begin april krijgt, wordt er nog altijd geen gebruik gemaakt van die testcapaciteit. 

De inclusie van andere labs in het testproces lijkt te worden gefrustreerd: de bestaande contracten tussen de GGD’en en laboratoria vindt men uiteindelijk toch afdoende om te voorzien in de vraag. Nederland vaart dan nog steeds zonder zicht op de verspreiding met een nog altijd zeer restrictief testbeleid. Wie niet in de zorgsector werkzaam is wordt niet getest, maar ook binnen de zorg is het testbeleid nog altijd restrictief. De overheid concentreert zich op de ziekenhuizen en Intensive Care afdelingen, terwijl in de zorg buiten de ziekenhuizen medewerkers met klachten nog altijd doorwerken, vaak zonder adequate beschermingsmiddelen. 

Hoewel uit nationale en internationale signalen dan al blijkt dat het virus mogelijk ook verspreid wordt door personen die geen typische symptomen vertonen, wordt in de Nederlandse verpleeghuizen nog altijd niet preventief getest. Huisgenoten van zorgmedewerkers, ook al hebben ze klachten, worden niet getest. Op 20 april constateert minister de Jonge nog altijd belemmeringen bij het testen; verruimingen in het testbeleid worden door het RIVM – in plaats van direct – stapsgewijs doorgevoerd en bij de GGD’en dringen die verruimingen niet door. De laatste belemmering voor testen laat het RIVM op 12 mei pas vallen: vanaf dan mogen zorgmedewerkers direct testen als zij klachten hebben. 

Maar het zal nog tot 1 juni duren voordat in Nederland ook buiten de zorg gestart wordt met testen.

Marktwerking

In een opzienbarende reportage wil het programma Nieuwsuur aantonen dat het Nederlandse testbeleid gefrustreerd wordt door belangen. Zoals eerder het NRC betoogde: Nederlandse medisch-microbiologische laboratoria vrezen voor hun voortbestaan en houden daarom de uitbreiding van testcapaciteit naar andere, veelal niet-medische, laboratoria tegen. Hoewel voor sommige arts-microbiologen een persoonlijk financieel belang mee kan wegen, lijkt dat voor de overgrote meerderheid geen rol te spelen: de meeste arts-microbiologen zijn werkzaam in loondienst en hebben een vast inkomen.

Concurrentie tussen de labs zou voornamelijk gaan om de prijs-kwaliteit factor: Marktwerking leidde de afgelopen tien jaar tot een wildgroei aan laboratoria. Naast de bestaande microbiologische laboratoria verschenen zogenaamde huisartsenlaboratoria en probeerden buitenlandse laboratoria de Nederlandse markt te veroveren.‘Waar voorheen één of twee labs per regio waren, zijn er nu landelijk ruim honderd.’ Een speler op de markt is U-diagnostics, een echte prijsvechter, die zijn testen laat uitvoeren in een megalab in Duitsland. Het bedrijf heeft geen arts-microbioloog in dienst en kan daarom de prijs laag houden. Ook testlaboratorium Star-shl heeft als doel om zo snel en goedkoop mogelijk een testuitslag te leveren. Deze megagrote laboratoria opereren vaak internationaal, ze zijn efficiënt en brengen een behoorlijke schaalvergroting teweeg. Zorgverzekeraars zijn met name vanwege de lagere prijzen geïnteresseerd in deze zogenaamde ‘robotlabs’, waardoor de concurrentie toeneemt. 

Is het voor de diagnostiek wel echt noodzakelijk dat arts-microbiologen in dienst zijn om uitslagen te interpreteren? Directeur Maarten Cuppen van U-diagnostics vindt dat bij de Covid-test niet nodig: ‘‘Kijk naar de Covid-test, die heeft maar twee uitslagen: rood of groen. Punt. Dat vergt geen nadere uitleg.’ Wanneer een arts toch nog een vraag heeft moet die naar Duitsland bellen voor uitleg. ‘Dan moet ‘ie de vraag in het Duits of Engels stellen.” Als de testuitslag niet duidelijk is, kunnen ook de grote laboratoria een medische interpretatie vragen, de noodzaak om een arts-microbioloog aan de leiding van het testproces te zetten, lijkt er bij Covid-tests volgens Cuppen niet. 

De medisch-microbiologische labs zijn duurder, omdat zij arts-microbiologen in dienst hebben en meer aan onderzoek doen. Om hun contract met de verzekeraar te behouden, moeten zij soms onder de kostprijs bieden. Om een ruim en efficiënt testbeleid mogelijk te maken zou samenwerking met niet-medische of buitenlandse laboratoria tot aanzienlijke schaalvergroting kunnen leiden. De medische labs vrezen echter dat ziekenhuizen door samenwerking met deze grote laboratoria uiteindelijk de kosten van arts-microbiologen niet meer kunnen dragen. 

De medisch-microbiologische labs maken hogere kosten dan de grote testlabs, maar hoe in de corona testmarkt momenteel geconcurreerd wordt op prijs is niet duidelijk. Voor de covidtest betaalt de GGD een vaste prijs van 65 euro, en voor 1 juni was dat zelf 95 euro per test. De inzet van grotere labs heeft (nog) niet geleid tot een lagere marktprijs voor PCR diagnostiek bij Covid-19. 

Kwaliteit versus kwantiteit

Het belangrijkste argument van de NVMM om samenwerking met andere labs tegen te houden lijkt de ‘kwaliteitseis’. Maar hoeveel kwaliteit is daadwerkelijk nodig in de Covid-19 diagnostiek? De GGD’en nemen de samples af, die gaan naar het lab en zonder tussenkomst van een arts krijgt de geteste persoon de uitslag van de GGD. De arts-microbioloog hoeft hier niet noodzakelijk aan te pas te komen. Soms echter, is de uitslag van een test onduidelijk en kan een arts-microbioloog meer duidelijkheid verschaffen. 

Volgens hoogleraar Christina Vandenbroucke van het Amsterdam UMC hoeft samenwerking met grote niet-medische labs geen problemen op te leveren als de medische labs controles kunnen uitvoeren en de medische lead nemen bij de interpretatie van tests met een onduidelijke uitslag. De grote ‘testfabrieken’ zouden dan hun capaciteit maximaal in kunnen zetten. Het lijkt een eenvoudige optelsom. Maar de medische microbiologie is complexer dan ‘slechts een labuitslag’. 

“Laboratoria hebben van oudsher een belangrijke functie in het signaleren van nieuwe virus- of bacterieuitbraken. De ‘streeklaboratoria voor de volksgezondheid’ werden na de Tweede Wereldoorlog opgericht om uitbraken van besmettelijke bacteriën zoals tuberculose, tyfus, difterie en syfilis te bestrijden. Laboratoria moeten GGD’s en RIVM waarschuwen als ze vermoeden dat in hun regio een infectieziekte is uitgebroken. Maar nu bloedbuisjes uit Friesland naar laboratoria in Roosendaal, Delft en zelfs Duitsland worden gestuurd, en coronatests van verpleeghuizen uit Oost-Brabant in Rotterdam worden onderzocht, raakt het overzicht zoek. En lopen we het risico dat nieuwe infectieziekten te laat worden opgespoord. … “ Uit: De Groene

De laagste prijs per test is voor verschillende zorginstellingen en regionale GGD’s vaak de doorslaggevende factor om met een bepaald laboratorium samen te werken. De regionale functie van de medisch microbiologische labs is daarmee voor een deel verloren gegaan en de functie van deze laboratoria voor de volksgezondheid is uit het oog verloren. Zo stelt de inspectie dat ziekenhuizen zonder eigen laboratorium zeer kwetsbaar zijn voor uitbraken van infectieziekten. 

De arts-microbioloog

Een arts-microbioloog houdt zich bezig met het opsporen, diagnosticeren en behandelen van aandoeningen veroorzaakt door micro-organismen, zoals het coronavirus. Volgens arts-microbioloog Marc Bonten is de medische microbiologie “een integraal product van uitslag, advies en beleid” wat bijdraagt aan de kwaliteit van patiëntenzorg. Als een medisch-microbiologisch lab regionaal kan opereren, kunnen artsen-microbioloog nieuwe bronnen van infectie sneller signaleren en opsporen. ‘De microbiologische diagnostiek wordt in Nederland verzorgd door een fijnmazig netwerk van medisch microbiologische laboratoria, meestal aan een ziekenhuis verbonden of vanuit een organisatie die de microbiologische diagnostiek voor enkele ziekenhuizen verzorgt. 

Waar Duitsland veel kwantiteit in huis heeft, heeft Nederland veel kwaliteit. Nederland heeft vergeleken bij Duitsland veel minder problemen met antibioticaresistentie en weinig MRSA. Het is belangrijk dat we niet uit het oog verliezen dat het waarborgen van die kwaliteit voor de non-covid diagnostiek en de tijd na de corona pandemie, voor de volksgezondheid gewaarborgd wordt. Als het Nederlandse microbiologische landschap verandert in een aantal clusters van grote testlabs, lopen we het risico dat een nieuwe infectieziekte te laat zal worden opgespoord. En volgens arts-microbioloog Thijs Tersmette is het kosten-vraagstuk relatief: “Misschien zijn we per lab wel iets duurder, maar onze bijdrage aan de gezondheidszorg is zoveel groter dat je het dik terugverdient.” 

Schaarste in materialen en testcapaciteit

Op 17 april schrijft het ministerie VWS in haar rapport Landelijke Coördinatie Structuur Testcapaciteit dat bij een geleidelijke stijging er op korte termijn zekerheid is over voldoende levering van testmaterialen, waar tot dan toe een groot tekort aan is geweest. De Speciaal Gezant en de LCT werken hard om de beschikbaarheid van voldoende materialen op de langere termijn te garanderen. Ook zet VWS in op productie van testmaterialen in Nederland. Sanquin is in opdracht van het ministerie van VWS gestart met de productie van lysisbuffer. De fabricage van well plates wordt ingericht, de grondstoffen zijn besteld. Ook de productie van het afnamemateriaal, 3D-geprinte exemplaren van de nasopharynx swabs, zal in Nederland worden uitgevoerd. 

Om de testcapaciteit uit te breiden kunnen laboratoria zich aansluiten bij het landelijke netwerk van SARS-CoV-2 laboratoria in Nederland en daarmee ‘in geval van overcapaciteit bijdragen aan de schaarste van andere laboratoria’. Om kwaliteit en veiligheid te waarborgen, zijn er criteria opgesteld waaraan voldaan moet worden: Het laboratorium dient ‘positief geëvalueerd te zijn door het RIVM, de testfaciliteit moet zich conformeren aan het landelijk testbeleid wat onder meer betekent dat alleen mensen doorverwezen door artsen/GGD getest mogen worden en testresultaten gecommuniceerd moeten worden met de GGD om te voldoen aan de meldplicht’. Tevens moet ‘een Nederlandstalige arts-microbioloog verbonden zijn aan het laboratorium om de interpretatie van de resultaten te verzorgen, uitslagen te communiceren met de zorgverleners en beschikbaar te zijn om tekst en uitleg te geven indien een zorgverlener er om vraagt’. Die week gaat ook het Landelijk Coördinatieteam Diagnostische Keten (LCDK) van start, onder leiding van arts-microbioloog Edwin Boel van het UMC Utrecht, pas afgetreden voorzitter van de Vereniging Medisch Microbiologische Laboratoria (VMML) en arts-microbioloog Ann Vossen, voorzitter van de Nederlandse Vereniging Medische Microbiologie, wordt voorzitter van de Taskforce Diagnostiek. Het OMT vraagt de NVMM in maart om ‘deze adviesclub met beslissende stem op te richten’.

Eind mei meldt Ann Vossen, nu als voorzitter van de Landelijke Taskforce Moleculaire Diagnostiek, dat ‘de tijd van limiterende factoren voorbij is’: Nederland zou 30.000 testen per dag uit kunnen voeren. Dat het zo lang geduurd heeft voordat die capaciteit beschikbaar is, komt doordat er genoeg testen afgenomen moesten kunnen worden door de GGD’en, er moesten voldoende testmaterialen zijn en er moest een IT systeem opgezet worden om alles te registreren en alle GGD’en met hun testlaboratoria te verbinden. Vijftig verschillende labs moesten aangesloten worden, die weer samenwerken met 25 verschillende GGD’en. 

Verschillende labs bieden hun testcapaciteit aan ten behoeve van de diagnostiek van SARS-CoV-2. Van dat aanbod maakt de minister geen gebruik, zogezegd omdat dit maar een tijdelijke oplossing biedt. Volgens Ann Vossen speelt ook de kwaliteits-eis mee. Toch is dit maar een gedeeltelijke verklaring want waar bloedbank Sanquin wel als opschalingslab wordt ingezet, kunnen sommige medisch microbiologische labs hun capaciteit nog steeds niet inzetten voor covidtests van de GGD’en omdat ze wachten op aansluiting op CoronIT of omdat de GGD’en aarzelen met het aanpassen van logistieke stromen naar de eigen regio. 

Keuzes in beleid

Door het landelijke netwerk van laboratoria, kan – in theorie – een aanzienlijke vergroting van testcapaciteit gecreëerd worden. Voordat die capaciteit ingezet kan worden echter, moeten alle gecontracteerde labs zich voor 1 juni eerst aansluiten via CoronIT. Deze labs moeten voor 3 maanden voorraad aan testmaterialen aanleggen en aan alle door VWS gestelde voorwaarden voldoen. 

De problemen rond testcapaciteit en schaarste lijken voorbij. In een interview met de NOS laat Ann Vossen weten dat meer testcapaciteit op dat moment niet nodig is, omdat “het beleid toen en nu is om het virus gecontroleerd te laten rondgaan in de samenleving. Andere landen hebben laten zien dat de combinatie van een lockdown, testen, traceren, isoleren en quarantaine snel leidt tot het goeddeels uitroeien van het virus. … Iedereen met klachten testen is gewoon niet nodig in de lockdown-fase, want dan probeer je met maatregelen zoals thuis blijven de epidemie te onderdrukken. … Zelfs als we iedereen met klachten eerder hadden kunnen testen, dan hadden we dat niet gedaan.” 

Coronagezant Feike Sijbesma werpt in mei intern al de vraag op of de tescapaciteit niet verder omhoog moet en of opschaling niet in ieder geval in kaart gebracht moet worden, zo reconstrueert Follow The Money. ‘Voor de zomerperiode, maar vooral ook voor het “snotterseizoen” dat erna komt… omdat valt te voorzien dat talloze mensen zonder symptomen zich zullen laten testen en de testcapaciteit daarvoor tekortschiet.’ 

De opschaling van de testcapaciteit is in handen van arts-microbioloog en OMT-lid Ann Vossen, tevens voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Medische Microbiologie èn voorzitter van de Landelijke Taskforce Moleculaire Diagnostiek. Vossen ziet de noodzaak van opschalen en ruim inzetten op testen als strategie echter niet: ‘Alleen maar testen om het testen heeft weinig zin. Ik begrijp dat het een gevoel van controle kan geven, maar als je iedereen test, moet je ze daarna blijven testen. Maar wij kunnen niet alle geteste mensen volgen.’

In de zomermaanden wordt flink gediscussieerd over ‘de beste verdeling van de tests’, meldt Nieuwsuur. Daarbij zouden grote belangen meespelen. Het Landelijk Coördinatieteam Diagnostische Keten (LCDK) van het ministerie VWS laat de labs en GGD’en weten dat zij de tests wil gaan verdelen naar laboratoriumgrootte en de te verwachten toestroom bij de teststraten, waarbij ook andere bij het netwerk van laboratoria aangesloten labs zullen worden ingeschakeld. Dat stuit op verzet bij de Nederlandse Vereniging van Medisch Microbiologen (NVMM), zij willen zelf de tests blijven verdelen. Voor hen zou meespelen dat sommige medische labs met een nieuwe verdeling in hun voortbestaan bedreigd worden. GGD’en willen zich graag houden aan de contracten die zij al met laboratoria hebben. Oude afspraken zitten het testbeleid dus in de weg. De GGD’en en hun diagnostieklaboratoria werken altijd al nauw samen en hebben deze samenwerking vastgelegd in contracten over tests die moeten worden gedaan. De verdeling van de coronatests loopt nu volgens diezelfde afspraken, waardoor 25 vooral ziekenhuislaboratoria worden ingezet.

Van de ruim 100 Nederlandse labs, worden er slechts 50 permanent ingezet voor het testen op corona. Aangesloten laboratoria bij het landelijke netwerk worden nog niet optimaal regionaal ingezet en labroatoria teren in op hun voorraden door gebrekkige aanvulling van reagentia vanuit de LCDK. Dat is niet omdat die contracten ooit zijn afgesloten om kwaliteit en regionale functies van de labs optimaal te benutten, maar vanwege de (lagere) kostprijs. Sommige GGD’en hebben zelfs contracten met labs buiten hun regio, wat die zo belangrijke regionale vinger aan de pols door arts-microbiologen onmogelijk maakt. 

De arts-microbiologen houden echter vast aan de verdeling, redelijk of niet, dat wordt door LCDK eind juli gehonoreerd: de oude verdeling zal gehandhaafd worden. ‘Om de verwachte verhoging van het aantal testaanvragen te accommoderen is het voorstel dat de labs gelijkelijk gaan opschalen. Als het aantal afgenomen testen 10% omhooggaat, gaan alle labs dus 10% meer testen. De hoogvolumelaboratoria worden daarbij gevraagd zo snel mogelijk te starten met poolen. Een aantal labs investeert of heeft geïnvesteerd in aansluiting op CoronIT om onderdeel te kunnen zijn van het labnetwerk. Dankzij de investeringen van deze labs is er voldoende flexibiliteit, wanneer de testaantallen omhooggaan. Als blijkt dat deze labs onvoldoende monsterstromen krijgen om deze investeringen in CoronIT te dekken, worden zij door VWS gecompenseerd’, schrijft het LCDK eind juni in haar nieuwsbrief

De vraag groeit sneller dan het aanbod

Door de aanschaf van andere systemen, een centraal inkoopsysteem van reagentia en het aansluiten van meer labs bij het landelijke netwerk, heeft Nederland nu een capaciteit van 160.000 testen per week. Maar hoe vaak de labcapaciteit ook wordt opgeschaald, het lijkt steeds te worden ingehaald door een groei van het aantal testaanvragen. 

Bloedbank Sanquin laat weten dat zij nog verder kunnen opschalen en ook andere Nederlandse labs hebben nog extra capaciteit. De crux: deze laboratoria gebruiken allen dezelfde materialen als de medisch-microbiologische labs. Opschalen bij het ene lab, betekent in dat geval dus niet dat er extra capaciteit gecreëerd wordt. De capaciteit wordt dan bij het ene lab weggehaald, om bij het andere lab gebruikt te worden. Het lukt nu, in het staartje van de zomer, in de meeste regio’s niet om binnen de voorgeschreven 48 uur een testafspraak te regelen, terwijl de GGD’en nog verder moeten opschalen. In het ergste geval zijn in oktober elke dag 37.500 tests nodig, in november 55.000, een maand later 70.000 en in februari 85.000, op basis van schattingen gebaseerd op het aantal mensen dat luchtwegklachten heeft. De Nederlandse labs kunnen momenteel krap 23.000 tests per dag aan. 

Concentratie van diagnostiek bij een paar grote laboratoria zou winst kunnen opleveren in de capaciteit. Voor de GGD’en wordt de planning en bevoorrading dan gemakkelijker. Maar als dat betekent dat een monster van Breda naar Amsterdam gebracht moet worden, in plaats van in Breda zelf te diagnosticeren, valt daar geen winst te behalen, betoogt Marc Bonten. Sanquin, maar ook andere grote labs garanderen dat dat logistieke proces voor hen geen grote uitdaging is; zij kunnen uitslag binnen 24 uur garanderen. Zij pleiten ervoor juist de groot-volume labs als primaire labs te gebruiken, vanwege de efficiëntie. Dat zou echter wel betekenen dat de medisch-microbiologische labs veel minder zouden gaan testen en daarmee ook omzet mislopen. En dit laatste lijkt de belangrijkste reden om de testmarkt niet op een andere manier in te delen. 

Opschalen naar Duitsland

De keuze om in Nederland vooral met de eigen medisch-microbiologische labs te (blijven) werken is volgens De Jonge weloverwogen, vanwege de regionale functie en het fijnmazige netwerk. Toch dringt het ook bij De Jonge doordat er nu behoefte is aan ‘hoogvolume laboratoria’. De minister wil dat ook in Nederland realiseren, maar dat kost even tijd: “Daarom hebben we in de tussentijd de afspraak gemaakt met een aantal grote Duitse laboratoria. Ondertussen zullen we ook dat type laboratoria tot stand moeten brengen.”

Eurofins, gevestigd in München, is zo’n grootschalig testlaboratorium waar De Jonge een contract voor covidtests heeft afgesloten. Directeur Olie legt uit dat  Eurofins uit veel verschillende bedrijven bestaat: “Daarbij zitten ook bedrijven die specifiek apparatuur en reagentia ontwikkelen en produceren. Daardoor hebben wij volledige controle over productie en voorraden. We hoeven niet met anderen te concurreren bij externe leveranciers. Daarom kunnen we gemakkelijk de diagnostiek garanderen, waar anderen problemen kunnen hebben met materiaalschaarste.” Olie verzekert dat er voldoende specialistische kennis aanwezig is om ook coronatests deskundig te analyseren. “In Europa heeft Eurofins ongeveer 150 microbiologen in dienst en een vergelijkbaar aantal moleculair biologen. Zij dragen zorg voor de kwaliteit van onze diagnostiek. Alle laboratoria hebben bovendien de benodigde accreditatie.” Bij het Duitse bedrijf worden de komende weken steeds meer monsters uit Nederland getest. Volgende week gaat het om 5000 stuks, de week erna 10.000, uiteindelijk oplopend tot 44.000 per dag. 

Nederland is het eerste land waarvoor Eurofins covidtests gaat diagnosticeren. De afgelopen maanden heeft het bedrijf, volgens Olie in samenspraak met GGD en RIVM, gewerkt aan een structuur waarin tienduizenden tests per dag kunnen worden afgehandeld. ‘Twee keer per dag worden monsters opgehaald bij teststraten in heel Nederland.’ Vervolgens worden ze samengebracht op een verdeelstation van Eurofins in Barneveld, en gaan ze per wegtransport naar een lab München. Medio oktober zullen de monsters naar Rijswijk gaan, waar het bedrijf een lab uitbreidt naar een capaciteit van 50.000 tests per dag. Het bedrijf heeft de Nederlandse overheid beloofd testuitslagen binnen 36 uur te leveren.

Ook met U-Diagnostics wordt een contract afgesloten voor diagnostiek bij partner-laboratorium Labor Dr. Wisplinghoff in Keulen. Vanaf deze week zal dit laboratorium 500 tests per dag uitvoeren. De komende weken wordt dit uitgebreid naar 2.000 en uiteindelijk naar een maximum van 5.000 tests per dag. 

Samen met de 23.000 tests die door Nederlandse laboratoria gediagnosticeerd kunnen worden, zit Nederland aan het einde van dit jaar op een totale testcapaciteit van 79.000 tests per dag. Net genoeg voor de maand december, zelfs als corona zich nu wel aan de planning van de GGD’en het het RIVM houdt. 

De toekomst van de medische microbiologische labs

Door extra capaciteit in te kopen in Duitsland, waar Nederlandse labs geen concurrentie hoeven aan te gaan voor de aankoop van testmaterialen, lijkt de minister een grote stap in de goede richting te zetten. Het hangt echter wel een prijskaartje aan en ideaal is het ook op het vlak van logistiek niet. Eurofins levert binnen 36 uur een uitslag, terwijl De Jonge juist werkt aan het terugbrengen van de doorlooptijd van het testen: Het streven is dat er 48 uur zit tussen het maken van de afspraak en de testuitslag, dat lijkt met Eurofins een welhaast onhaalbare kaart. De Jonge schrijft daarover in de kamerbrief van 28 augustus dat de bundeling en vervoer van testmonsters naar het Duitse lab invloed zal hebben op de doorlooptijd. Voor effectief bron- en contactonderzoek is Eurofins niet de ideale kandidaat. 

En ook de capaciteit van Eurofins kent een grens. Als die eenmaal bereikt is, moet er dan weer een internationaal bedrijf aangetrokken worden om in Nederland een megalab neer te zetten? De Jonge werkt aan sterke uitbreiding van de testcapaciteit door meer contracten met laboratoria af te sluiten, extra analyseapparatuur en testmateriaal in te kopen en door de ontwikkeling van alternatieve testmethoden te stimuleren. Wat gebeurt er met die capaciteit na corona? De inzet van De Jonge is erop gericht ‘om te zorgen dat deze situatie zo tijdelijk mogelijk is’. En is dit wel de meest kosteneffectieve oplossing? 

Goed uitgeruste medische microbiologische labs met een vinger aan de regionale pols, zijn van wezenlijk belang voor patiënten en de volksgezondheid. Als de recente uitbraken van SARS, MERS, Q-koorts, ebola, marburg en SARS CoV2, bijvoorbeeld, ons iets hebben geleerd, is dat het steeds belangrijker wordt uitbraken van infectieziekten snel op te kunnen sporen. Dat de Nederlandse medische labs hun hoge kwaliteit moeten behouden, staat buiten kijf. Maar ook is in deze crisis duidelijk geworden dat de medische microbiologie in Nederland meer moet openstaan voor het toevoegen van de noodzakelijke kwantiteit (desnoods uit het buitenland).  Maar het zou misschien meer voor de hand liggen dat de medisch-microbiologische labs in Nederland een manier vinden om samen te werken en kwaliteit en kwantiteit met elkaar weten te verbinden. 

Hoe de laboratoria hun regionale functie kunnen behouden, zal liggen aan de uitwerking van de samenwerking tussen de labs. Eén ding is duidelijk: de NVMM moet koers gaan bepalen en initiatief nemen. Dat daarbij belangenvraagstukken een rol zullen spelen, ligt voor de hand. Die belangen mogen het Nederlandse testbeleid echter niet belemmeren. Het lijkt erop dat de behoefte van de bij de NVMM aangesloten medisch-microbiologen om alles bij het oude te houden, het kabinetsbeleid in ieder geval gekleurd hebben. Doordat zowel de labs als de GGD’en vast bleven houden aan oude afspraken, werd het opschalen en het efficiënt inzetten van capaciteit van andere laboratoria in het netwerk bemoeilijkt. In het belang van de volksgezondheid zou de NVMM het initiatief moeten nemen om zowel de toekomst voor haar aangeslotenen, de kwaliteit van de microbiologische diagnostiek en de kwantiteit vereist om een pandemie het hoofd te bieden met elkaar te combineren. 

Arts-microbioloog Marc Bonten ziet een oplossing in het onderbrengen van de huidige ziekenhuislaboratoria in een aantal grotere organisaties. “Deze zullen in staat zijn op prijs en inhoud de concurrentie met buitenlandse partijen aan te gaan, terwijl de medebehandeling van patiënten door artsen-microbioloog behouden blijft. Twee jaar geleden heeft de overheid het land in tien zorgnetwerken voor antibioticaresistentie ingedeeld. Laten we voor covid-19 hierop aansluiten, zodat de microbioloog het beste tot zijn recht komt en de patiënt de beste zorg krijgt.” Dit zou misschien niet alleen een goede oplossing zijn voor de covid-diagnostiek, maar ook voor de non-covid diagnostiek, tijdens en ná corona. 

Op deze manier kunnen de medisch-microbiologische labs wellicht weer ècht een regionale functie krijgen, zodat zij de verspreiding en ontwikkelingen rond het virus beter in kaart kunnen brengen, beter onderzoek kunnen doen en in het najaar en de winter een vinger aan de pols kunnen houden bij co-infecties. Eurofins kan dan als opschalingslab ingezet worden, terwijl de Nederlandse laboratoria als primaire labs voornamelijk personen met testprioriteit bedienen. Medewerkers uit de zorg, het onderwijs, verpleeghuisbewoners, bewoners van andere woonvormen en bedrijven met clusters kunnen zich dan regelmatig en met voorrang laten testen. Het LCDK verdeelt de landelijke voorraad testmaterialen over Nederlandse labs en houdt in het oog dat alle labs ook steeds voldoende capaciteit overhouden voor non-covid diagnostiek.

Taken verdelen en samenwerken

Nu deze week bij 96 van de 100 teststraten geen tests meer ingepland kunnen worden, wordt eens te meer duidelijk dat het oplossen van problemen rond de testcapaciteit een absolute prioriteit zou moeten zijn. GGD IJsselland-directeur Rianne van den Berg doet bij RTV Oost een niet mis te verstane oproep aan minister de Jonge: “Het ministerie moet alles in het werk stellen om de laboratoriumcapaciteit in Nederland zo goed mogelijk te benutten en te verdelen. En natuurlijk om snel op te schalen, met vooral de capaciteit in Duitsland.”

Hoe efficiënt en kosteneffectief de diagnostiek ook wordt ingericht, het is de vraag of het wenselijk is de laboratoriumcapaciteit steeds te blijven opschalen. Ook in de meest ideale situatie zullen er grenzen zitten aan beschikbare materialen. Schaarste zal, ook in de toekomst, nog vaker de toon zetten. Nederland zou daarom ook meer moeten inzetten op het terugdringen van de verspreiding. Het gekozen beleid van ‘langzaam laten verspreiden’ blijkt een te grote en onvoorspelbare druk op de testcapaciteit op te leveren. Bovendien is het testen, wanneer de aantallen zo hoog blijven, nog altijd niet laagdrempelig en zal het wellicht nooit laagdrempelig worden. Alternatieve testmethoden, zoals pooled testing en sneltesten, zouden een uitkomst kunnen bieden. Dan ontstaat er wellicht ruimte om ook personen met atypische klachten of asymptomatische personen te testen, zodat een beter zicht op de verspreiding ontstaat. 

Een andere bottleneck, de samenwerking tussen de medische microbiologische laboratoria en de regionale GGD’en, zou wellicht sneller een oplossing kunnen bieden. Als de GGD’en de bestaande contracten los kunnen laten voor de covid-diagnostiek, kunnen de laboratoria op een betere manier met elkaar samenwerken. UMCG-viroloog Bert Niesters ziet graag dat de verschillende laboratoria in de regio de krachten bundelen: ‘Mijn ideaal is eigenlijk een regionaal pandemielaboratorium waar wij samenwerken om de klus te klaren. Dan heb je ook een duidelijke scheiding tussen ziekenhuis en openbare gezondheidszorg.’ Als zulke pandemielaboratoria samenvallen met de zorgnetwerken voor antibioticaresistentie, ligt daar al een structuur waar op aangehaakt kan worden.

De Nederlandse medische microbiologische laboratoria kunnen ook op een andere manier een bijdrage leveren aan de efficiëntie van het testen door een deel van de testafname van de GGD’en over te nemen. Zo kunnen meer testlocaties geopend worden bij bijvoorbeeld ziekenhuizen of huisartsenposten die overdag gesloten zijn. De ziekenhuizen kunnen, net als de GGD’en mobiele testlocaties inrichten. Deze manier van werken geeft het beste regionale inzicht, is het meest kosteneffectief en in logistieke zin de beste oplossing. Als dan ook de huisarts in de covid-diagnostiek aangehaakt wordt, krijgt deze de positieve testuitslagen van zijn patiënten in het Elektronisch Patiënten Dossier. De huisarts krijgt daarmee een outreachfunctie voor patiënten met het risico op een ernstiger ziektebeloop en een signaalfunctie voor langdurige klachten van covid. Zo krijgt Nederland een compleet medisch overzicht van de covidpandemie, kan sneller ingeschat worden of de testcapaciteit opgeschaald moet worden en kunnen GGD’en zich toeleggen op hun kerntaak: het uitvoeren van het bron- en contactonderzoek. Want hoe effectiever het bron- en contactonderzoek, hoe beter de verspreiding wordt ingedamd. De vraag naar tests zal automatisch dalen en zo krijgt Nederland meer grip op het corona virus.  

Ginny Mooy
Namens @C19RedTeam

Totstandkoming

Auteur en samenstelling: Ginny Mooy, antropoloog.  

Met ondersteunende expertise: Bert Mulder, arts-microbioloog en Gowri Gopalakrishna, epidemioloog.