De grens tussen wetenschap en politiek is in de corona aanpak flinterdun

Toen de eerste berichten over corona het grote publiek bereikten, was er vooral bezorgdheid over dit nieuwe virus. Mondjesmaat druppelden de berichten uit Wuhan binnen, waar de ziekenhuizen volstroomden met ernstig zieke patiënten. De regio ging hermetisch op slot, een groot noodhospitaal werd gebouwd, uitgeput zorgpersoneel liet de wereld weten dat dit virus een ongekende impact op het lichaam had. Dat het ook een ongekende impact op de maatschappij had, vonden we toen vooral een Chinees probleem dat zich net als SARS tot Azië zou beperken. En corona zou waarschijnlijk toch nooit naar Nederland komen, er waren immers geen directe vluchten tussen Wuhan en Amsterdam.

Via reizigers verspreidde corona zich echter toch snel over de rest van de wereld. Terwijl de premier al ginnegappend een journalist verleidde om gewoon handen te blijven schudden, kwamen via Whatsapp en Facebook verontrustende video’s uit Italië binnen. Beelden van lange rijen patiënten op de Italiaanse IC’s wekten een ongelofelijk schrikbeeld: “Het heeft ons verrast, maar corona is echt en het is ons overkomen, leer van ons, jullie kunnen straks niet zeggen dat jullie niet gewaarschuwd waren,” zei een Italiaanse verpleegkundige.

In de Nederlandse instituties was men er toen nog van overtuigd dat corona de kenmerken had van een forse griep, alle waarschuwingen ten spijt. Een inschatting op afstand en misschien was het wel díe pijnlijk verkeerde inschatting die aanleiding gaf tot de star op Nederland gerichte academische benadering die daarna gevolgd werd. Onderzoeken en waarnemingen van buiten de grenzen werden en worden stelselmatig genegeerd. RIVM en OMT baseren zich op onderzoek van Nederlandse bodem, ook al nemen de landen om ons heen andere maatregelen en lijken zij soms over andere wetenschappelijke inzichten te beschikken. Als er geen Nederlands onderzoek beschikbaar is, wordt het nemen van maatregelen uitgesteld totdat dat wel zo is. Gebrek aan wetenschappelijk inzicht van eigen bodem is blijkbaar bewijs dat maatregelen dan ook niet nodig zijn.

Hoe de academische kennis mondjesmaat wordt opgebouwd blijft onduidelijk: als er geen bewijs is dat mondmaskers een bepaalde mate van werkelijke bescherming bieden, hebben mondmaskers geen nut. Als er geen bewijs is dat afstand houden buiten noodzakelijk is, heeft afstand houden dan weer wel nut. In de thuiszorg is een mondmasker niet noodzakelijk, in het openbaar vervoer wel. Er zijn talloze voorbeelden te noemen van ogenschijnlijk onbegrijpelijke wetenschappelijke inzichten.

Dat we geen inzage hebben in de opzet en overwegingen van onderzoek, maakt het soms twijfelachtig of überhaupt kennis wordt opgedaan. Zo lijkt alle academische kennis over mondmaskers gebaseerd te zijn op de persoonlijke ervaringen van Jaap van Dissel. RIVM onderzoek uit 2009 werd genegeerd, de bevindingen van de gedragsunit aan de kant geschoven. Mondmaskers boden schijnveiligheid. Totdat mondmaskers handig uitkwamen om de dienstregeling van het openbaar weer te hervatten en de vliegmaatschappijen weer de lucht in te krijgen. Blijkbaar werken mondmaskers in die gevallen wel. We zullen nooit weten wat er gebeurd zou zijn als we internationale inzichten voorlopig als aannemelijk hadden aangenomen en naar de signalen uit de zorg hadden geluisterd. Misschien hadden we dan besloten dat mondmaskers bij alle vormen van zorg ‘werken’ en hadden we meer geïnvesteerd in mondmaskers voor de zorg.

Het OMT ziet geen mogelijkheid het coronavirus in Nederland volledig in te dammen en kiest daarom voor een strategie waar de risicogroepen zoveel mogelijk afgeschermd blijven, de ziekenhuizen niet overbelast raken en de samenleving zo min mogelijk beperkt wordt in haar functioneren. De wetenschappelijke basis van die strategie is het grote publiek nooit duidelijk gemaakt. Het lijkt van buitenaf een beetje van alles wat, waar niemand echt grip op of leiding aan geeft.

Hoe desastreus zo’n aanpak kan zijn, leerden we van de hausse aan sterfgevallen in de verpleeghuizen. Er was geen Nederlands onderzoek en de situatie in de verpleeghuizen kwam voor het RIVM dan ook als een verrassing. In april startte de afdeling ouderengeneeskunde van het Amsterdam UMC een onderzoek naar de verspreiding van het coronavirus in verpleeghuizen. Bijna 5 maanden later concluderen de onderzoekers: de verspreiding van corona in verpleeghuizen vindt deels onder de radar plaats, als personeel en bewoners geen symptomen vertonen of die niet als passend bij corona herkennen. Het past bij het beeld dat in maart al uit internationale onderzoeken bleek: een aanzienlijk deel van de verspreiding verloopt via personen zonder (duidelijke of herkenbare) symptomen.

In de wetenschap is daar nog altijd discussie over: gaat het hier om asymptomatische personen, om presymptomatische personen of personen met atypische symptomen? Als je op detailniveau het virus wil bestrijden is het antwoord op deze vraag natuurlijk van wezenlijk belang. Maar hoe het ook zij: je zult nooit bij ieder individu vooraf kunnen vaststellen of zij wel besmet zijn, maar er nooit ziek van zullen worden, dat ze over een paar dagen ziek zullen worden of dat hun klachten niet passen binnen de symptomenlijsten van de verschillende gezondheidsdiensten. Immers, het is een nieuw virus, dus kan er nog geen sprake zijn van een helder beeld van de symptomen.

De uitwerking is in alledrie de gevallen hetzelfde: deze personen verspreiden het virus ongemerkt. Is het dan absoluut noodzakelijk eerst onomstotelijk te hebben vastgesteld of we moeten spreken van pre- of asymptomatisch of atypisch? Je zou denken van niet. Deze mensen komen in de verpleeghuizen, om te werken of op bezoek, of ze wonen er. Je kunt dus voorzorgsmaatregelen nemen. Maar dat gebeurde niet. Personeel mocht doorwerken zonder mondmasker en mèt klachten.

Uiteindelijk kwam het OMT deze week, naar aanleiding van dit ‘nieuwe wetenschappelijke inzicht’ met een nieuw advies voor de verpleeghuizen: regelmatig testen moet deze ‘onzichtbare’ besmettingen detecteren, meer preventieve maatregelen moeten meer verspreiding voorkomen. Maar hoewel je dit inzicht breder zou kunnen trekken naar alle andere zorg, of zelfs de samenleving als geheel, blijft het bij een verscherping van de richtlijn voor de verpleeghuizen alleen. In de thuiszorg werkt het blijkbaar anders dan in een verpleeghuis. Of misschien moeten alle verschillende vormen van zorgverlening eerst zorgvuldig onder de wetenschappelijke loep genomen worden om te bevestigen: a- of presymptomatisch of atypisch leidt ook in de huisartsenpraktijk of in de ambulante ouderenzorg tot verspreiding van corona.

In de media verwijzen verschillende OMT leden met regelmaat naar ‘schaarste’. Hoewel adviezen eigenlijk medisch zouden moeten zijn, speelt die schaarste toch een rol in het achterhoofd, legde Ann Vossen uit bij het programma Jinek. Natuurlijk ligt het voor de hand dat beleid niet voorbij kan gaan aan schaarste. Maar soms rijst de vraag of het OMT zich in haar adviezen niet teveel laat beperken door het idee van schaarste. Toen het OMT een restrictief testbeleid adviseerde omdat er een tekort zou kunnen ontstaan in testmaterialen, lag er een aanbod voor testcapaciteit van Duitsland op de plank bijvoorbeeld. De minister maakte geen gebruik van dit aanbod vanwege het geadviseerde testbeleid, terwijl dat advies gebaseerd was op een aanname dat schaarste zou kúnnen ontstaan.

De inmiddels beroemde uitspraak “met 50% van de kennis, 100% van de beslissingen nemen” legt meer bloot dan een overheid die tegen een achtergrond van grote onzekerheid een crisis moet bestrijden. Er is nog weinig echt wetenschappelijke kennis over corona. Wereldwijd worden vele inzichten gepubliceerd en ook uit nieuwsberichten valt een beeld op te maken van de impact van corona. Wat voorlopig als wetenschappelijk inzicht wordt beschouwd, is afhankelijk van de inschatting van de wetenschapper. Het OMT en RIVM maken daar afwegingen in. En die afwegingen, wijken regelmatig af van dat van wetenschappers in de landen om ons heen.

Het RIVM herhaalt steevast dat onderzoeken uit andere landen niet 1 op 1 vertaald kunnen worden naar de Nederlandse situatie. Als het om de besmettelijkheid van kinderen gaat bijvoorbeeld, ziet het RIVM in Denemarken een goed voorbeeld voor Nederland: daar leidde de heropening van scholen niet tot een significante toename in verspreiding. Dat Denemarken bijvoorbeeld 1 meter afstand tussen leerlingen aanhield, werd niet overgenomen in het Nederlandse beleid. De ervaringen uit andere landen, werden niet beschouwd. Op basis van welk bewijs het basisonderwijs begin juni weer volledig normaal opgestart kon worden, werd niet onderbouwd.

Het kabinet schat in dat er maar 50% kennis is over corona en krijgt vervolgens nog geen 50% van de inzichten die wereldwijd worden opgedaan om haar beleid op te maken. Eén ding is duidelijk: het OMT neemt beslissingen die met schaarste, bureaucratie en de beperkingen van bestaande instituties te maken hebben. Hoe het OMT haar ‘bewijs’ vertaalt in haar beleidsaanbevelingen echter, blijft vaag. Welk bewijs wordt gebruikt, hoe dit bewijs vervolgens geëvalueerd wordt en met welke andere factoren rekening gehouden wordt bij het vertalen van het bewijs naar beleid, blijft tot op de dag van vandaag een zwarte doos.

Nederland lijkt met deze constructie in een vicieuze cirkel terecht te zijn gekomen waarin politiek en wetenschap vooral een restrictieve invloed hebben op elkaar. De uitkomst is een coronabeleid dat alleen nog maar van onmogelijkheden uitgaat. Er wordt door het OMT schaarste voor de testcapaciteit veronderstelt, wat leidt tot een restrictief testbeleid. In dit testbeleid wordt het testen van a- of presymptomatische personen onwenselijk geacht, wegens gebrek aan bewijs dat deze personen een belangrijke rol zouden spelen in de verspreiding. Als dan blijkt dat dat in verpleeghuizen wel zo is, beïnvloedt de schaarste aan testmaterialen – althans zo lijkt het – de bredere interpretatie van zo’n onderzoek voor de rest van de samenleving. De wetenschap signaleert niet, de politiek wordt niet aangezet om meer testcapaciteit in te kopen. En zo geldt dat ook voor het management van de voorraden persoonlijke beschermingsmiddelen, het aanhouden en op tijd uitbreiden van voldoende capaciteit voor het bron- en contactonderzoek en doorvoeren van preventieve maatregelen in de samenleving. In de corona aanpak in Nederland is de grens tussen politiek en wetenschap zo flinterdun, dat je je af kunt vragen waar het ene begint, en het andere eindigt.

Capaciteitstekorten beïnvloedden het OMT advies over mondmaskers en de indicaties voor het testbeleid. Economische consequenties beïnvloedden de risicoinschatting voor de luchtvaart. RIVM en OMT wilden evidence-based te werk gaan, maar die evidence was vaak dun. Bovendien werd buitenlands onderzoek gewantrouwd of miskend in verband met ‘cultuurverschillen’. Als het geen crisis was geweest en we slechts in het medisch laboratorium met corona te maken zouden hebben, zouden we tijd hebben gehad om te wachten op Nederlandse inzichten. Maar de samenleving is geen laboratorium. Corona grijpt om zich heen. En iedere dag dat getwijfeld wordt inzichten uit andere landen voorlopig als plausibel aan te nemen, kost dat levens.

Waar onvoldoende wetenschappelijk bewijs is, kan het OMT ook het voorzorgsprincipe hanteren. Als we in de landen om ons heen zien dat een maatregel redelijkerwijs effectief lijkt te zijn, kunnen we óf wachten tot het bewezen is ten koste van vele levens en de economie, óf we voeren het toch in en wijzigen beleid zo nodig als er nieuwe informatie is. Of eigenlijk moet het kabinet die keuze zelf maken. Laat het OMT de wetenschappelijke kant belichten en aan het kabinet een gewogen analyse geven van zowel binnen- als buitenlands onderzoek. De morele en politieke afwegingen liggen dan weer waar ze horen.

Corona is niet van ons, maar van de experts

Het beleid schiet alle kanten op. Wij, burgers, lijken niets te kunnen doen of bijdragen om verspreiding tegen te gaan. Bovendien lijkt dat niet de bedoeling. Wat is het doel eigenlijk?

Beste Minister President, beste Hugo de Jonge,

In China worden mensen ernstig ziek van corona, maar het is onwaarschijnlijk dat het zich in Nederland ook op zo’n schaal zal verspreiden. Corona lijkt op een fikse griep. Het treft vooral ouderen. Jonge mensen worden nauwelijks ziek. Kinderen lijken geen corona te kunnen krijgen en als ze het krijgen, worden ze er meestal niet ziek van. Kinderen verspreiden corona nauwelijks. We moeten het allemaal krijgen, om zo een beschermend muurtje om de kwetsbaren te bouwen en hen te beschermen voor corona.

Een greep uit de uitspraken aan het begin van de uitbraak in Nederland. Sommige uitspraken zijn inmiddels genuanceerd, of teruggedraaid, maar die stellige uitspraken van toen, zijn blijven hangen. Bewust of onbewust, we spelen allemaal nog met die gedachten. We hopen dat het toch meevalt. We nemen risico’s. Het leven moet ook doorgaan. En het kabinet stimuleert enig risicovol gedrag omdat de samenleving moet draaien.

Corona is ver bij ons vandaan gehouden. Door de maatregelen, maar ook door ons steeds met onze neuzen op het feit te drukken dat we geen virologen zijn. Niet-virologen begrijpen corona niet. We moeten luisteren naar de experts. We mogen er geen mening over hebben. En in de media lijkt het thema corona op een continue stroom van wetenschappelijke debatten. Corona is niet van ons. Het is van de wetenschap, de experts en de politiek. In laboratorium Nederland kan de overheid het virus zich langzaam over een gewenst deel van de bevolking laten verspreiden en die kraan naar believen open en dicht draaien. We hebben een dashboard met metertjes, wiskundige modellen, statistieken met data waar de meeste mensen niets van begrijpen. De burger kan hier geen invloed op uitoefenen. De uitspraak ‘groepsimmuniteit’ houden we stevig vast in onze achterhoofden. Moeten we nu wel, of niet besmet raken?

Corona is ingewikkeld. De regels zijn complex. Zeker voor jongeren. In het bijzonder voor hen jonger dan 18 jaar. Het beleid schiet alle kanten op. Wij, burgers, lijken niets te kunnen doen of bijdragen om verspreiding tegen te gaan. Bovendien lijkt dat niet de bedoeling. Wat is het doel eigenlijk? De IC’s mogen niet overbelast raken. Daar heeft de burger geen inzicht in. In de media verschijnen noodkreten: de GGD’en kunnen het BCO niet aan, de IC’s kunnen nog niet op volle kracht draaien. Een paar uur later volgt een bericht dat het allemaal onder controle is. Intussen luisteren we niet meer. Corona is niet van ons, maar van de experts.

Er heerst verwarring. We vallen terug op onszelf. We schatten zelf de risico’s in. Sommigen blijven angstig thuis. Anderen willen juist de risico’s negeren. Corona bestaat niet. Beiden tappen uit hetzelfde vaatje: onzekerheid. In tijden van rust is er mogelijkheid om in de wetenschap lang te twijfelen, te onderzoeken, te debatteren en naar sluitend bewijs te zoeken. In tijden van crisis moet de overheid niet in de wetenschappelijke leunstoel blijven draaien, maar durven handelen. Snel kunnen schakelen. Een gebrek aan inzicht durven bespreken. Fouten durven toegeven. Empathie en ernst tonen. Maar bovenal: de burger met zich meenemen. Zet een koers uit, formuleer de eindbestemming en gebruik de navigatie om er te komen. In het navigatiesysteem in Nederland, is geen eindbestemming ingevoerd. We zien waar we vandaan komen en waar we nu zijn, maar niet waar we naartoe moeten en welke wegopbrekingen we onderweg tegenkomen. We rijden met maximale snelheid door.

De politiek zoekt steeds het uiterste randje van de marges op. In het laboratorium hou je dan misschien nog zicht op de verspreiding, maar op de openbare weg zijn er andere weggebruikers. Sommigen rijden te snel. Sommigen snijden ons af. Sommigen rijden roekeloos. Voordat we de weg op gaan, kunnen we deze factoren niet inschatten. Menselijk gedrag is onvoorspelbaar. Als de overheid steeds aan de uiterste rand van de marge zit en de burger zoekt op haar beurt ook naar het uiterste, gebeurt het onvermijdelijke: niemand heeft meer grip op de situatie. Dat is wat we in Nederland zien gebeuren. Dan is het tijd de koers bij te stellen; een nieuwe route uit te stippelen en de hele stoet duidelijk te maken waar we naartoe gaan.

Waar de overheid de burger op de route weer terug kan vinden, heb ik als volgt aanbevolen aan VWS:
• Wijs niet met de beschuldigende vinger, maar stimuleer gewenst gedrag. Vergroot de testbereidheid, verander de quarantainementaliteit (zet in op zowel intrinsieke als extrinsieke motivatie) en leg het belang van BCO duidelijk uit aan de bevolking.
• Toon sterk leiderschap. Het VVD ideaal ‘eigen verantwoordelijkheid’ geeft teveel ruimte voor interpretatie en risicovol gedrag. Niet de experts, maar verkozen politici staan aan het roer en kiezen voor een ‘better safe than sorry’ benadering, zoals dat ook van de burger wordt verwacht.
• Stel niet het gedrag van het virus, maar het gedrag van de mogelijke drager in de aanpak en communicatie centraal. Neem bezwaren weg. Gedragswetenschap zou een belangrijker en vast onderdeel moeten zijn van het OMT. Houd 24/7 een vinger aan de pols en peil continu de sentimenten in de samenleving.
• Afwegingen van het OMT moeten openbaar worden. Laat zien dat de overheid ook meekijkt en zich van verschillende kanten laat informeren over de wetenschappelijke stand van zaken. Maak burgers duidelijk wat die stand van zaken is in een wekelijks bijpraatuurtje in de media.

Maak burgers duidelijk wat die stand van zaken is in een wekelijks bijpraatuurtje in de media voor laaggeschoolden en mensen die snel op de hoogte willen zijn. Zoek daarnaast meerdere keren per week verbinding met de burger en bespreek moeilijke thema’s: Hoe werkt een virus? Wat betekent COVID-19 voor jongeren/ouderen/zieken/baby’s. Wat is een cluster en
wat is superverspreiding? Wat is de stand van zaken rond mondmaskers? Maar ook ingaan op prangende vragen. Nodig mensen uit die C19 hebben gehad om ze een gezicht te geven. Creëer een volledig betrokken en opgeleide samenleving.

• Daag de vaste groep van experts uit door kritische wetenschappers aannames steeds te laten falsificeren. Maak dit openbaar en maak van Nederland geen eiland: Voorkom tunnelvisie en een te smalle kijk door bijvoorbeeld een breder scala aan buitenlandse onderzoeken te raadplegen. Communiceer naar de burger dat ook de ontwikkelingen in het buitenland nauwlettend gevolgd worden en diskwalificeer wetenschappelijke bevindingen uit buitenlanden niet zonder goede argumenten.
• Wetenschap is het hart van de aanpak. Dat is belangrijk, maar zorg ervoor dat corona niet te abstract en te wetenschappelijk benadert wordt. Er is weinig begrip van het virus, zeker onder de jongere generaties. Vergroot kennis zonder het ingewikkeld te maken, door verschillende kanalen te gebruiken om iedereen te bereiken. Investeer veel in het verhogen van het bewustzijn. ‘Laagdrempelig’ moet het sleutelwoord worden, zowel in aanpak als communicatie. Zodra naleving verslapt, intensiveert de campagne ter bevordering van medewerking. Wees niet te positief over naleving als er nog steeds verspreiding is. Dat maakt verspreiding ongrijpbaar en veroorzaakt speculatie en complottheorieën.
• Vermijd te grote stelligheid waar wetenschappelijke onzekerheid is. Dit maakt veranderen van beleid, wat toch soms noodzakelijk zal zijn, tijdrovend en wellicht onhaalbaar.
• Vermijd termen die in de wetenschap acceptabel zijn, maar op burgers ook een psychologisch effect hebben, zoals ‘groepsimmuniteit’ en ‘schijnveiligheid’.
• Vermijd het kweken van selffulfilling prophecies: bijv. verwijzingen naar de eigenwijze cultuur, de volksaard en waarom we bepaalde maatregelen niet, of niet lang zouden kunnen volhouden. Speel in op ons menselijk gedrag en stel onze primaire levensbehoefte aan veiligheid centraal.
• Er is een zwak gevoel van urgentie onder de bevolking. Een overheid die urgentie uitstraalt, stimuleert burgers die urgentie te voelen.
• Er heerst onder velen nog het idee dat immuniteit opbouwen gewenst is, ontkracht dit en laat in de strategie zien dat natuurlijke immuniteit geen rol (meer) speelt.
• Er is geen duidelijk doel, waar mensen aan mee kunnen werken. Stel duidelijke, haalbare doelen.
• Corona staat te ver van ons af. In de persconferenties ontbreekt empathie en wordt weinig stilgestaan bij ziekte en sterven. Besteed hier in iedere communicatie aandacht aan.
• De overheid is niet open en niet transparant. Cijfers en data zijn onvolledig, onbegrijpelijk en wijzigen vaak zonder toelichting. Datzelfde geldt voor de capaciteit van de uitvoerende instanties. Dit wekt bij velen de indruk voorgelogen te worden, geeft ruimte tot interpreteren en het zelf inschatten van risico’s. Gedrag is dan moeilijk te sturen.
• Neem zorgen onder de bevolking serieus. In het bijzonder die van hoogrisicogroepen. Het huidige beleid sluit de hoogrisicogroepen uit. Velen zitten nog in zelfisolatie, een belangrijke reden waarom de ziekenhuisopnamen nog laag blijven. De vraag is hoe lang zij dit kunnen volhouden. De overheid is niet actief bij deze groepen betrokken. Bovendien heeft de overheid geen inzicht in hun gedrag. Hoe lang kunnen zij zich nog blijven isoleren? Niet alleen wat betreft hun sociale behoeften, maar ook mbt eisen die de maatschappij straks weer aan hen stelt. Heeft de overheid in beeld hoeveel grootouders op de kleinkinderen moeten passen? Is zij in gesprek met de kinderopvang om capaciteit uit te breiden? Welke alternatieven kan de overheid op korte termijn bieden? Beschermt de overheid werknemers in hoogrisicogroepen tegen ontslag als zij niet fysiek op hun werkplek aanwezig kunnen zijn? Hoe gaat de overheid om met de schoolplicht van kinderen in hoogrisicogroepen, of van kinderen met een of twee ouders in een hoogrisicogroep? Stel deze mensen in staat zichzelf tegen besmetting te beschermen maar stel hen ook een vooruitzicht en tref voorzieningen.
• Maak corona van ons allemaal, ook al zijn burgers geen virologen. Laat de boodschap zijn: we kunnen corona wel bestrijden. We kunnen begrijpen wat corona is. Laat het voor ons allen duidelijk zijn hoe en waarom we corona bestrijden, wat ons doel is en hoe wij ons steentje moeten bijdragen. Richt een platform op om alle noodzakelijke boodschappen uit de samenleving te ontvangen. Waar knelt het? Hoe kunnen we het oplossen? Laat ons meedenken en hoor onze vertegenwoordigers actief uit. Alleen samen kunnen we corona bestrijden. Een boodschap die ook de overheid zich nog ter harte moet nemen.
• Ter afsluiting de woorden van Dr. Myke Ryan van de WHO: ‘Move fast, no regrets, only way 2 beat the virus.’

Hopend op uw wijsheid en leiderschap, verblijf ik,

Hoogachtend,
Ginny Mooy

Corona in Nederland: groene grassprietjes of een recipe for disaster?

Als we iets hebben kunnen leren van ebola, is het dat mensen – hoe dodelijk zo’n virus ook is – pas stoppen met risico’s nemen, als ze daartoe gedwongen worden.

In december 2014 stond ik in één van Sierra Leone’s meest dichtbevolkte sloppenwijken, met mijn voeten letterlijk in de ebola klei. Met een grote groep vrijwilligers kwam ik daar met noodpakketten voedsel en om preventiemaatregelen uit te leggen aan mensen in quarantaine. Het was vlak voor Kerstmis. Ebola was er op haar hoogtepunt. De bevolking was ebola-moe. Ze wilden feestvieren, kerstinkopen doen, doorgaan met leven, niet meer met ebola bezig hoeven zijn.

Buurtbewoners stuurden me naar een compound, waar bijna 70 mensen in vier grote huizen bij elkaar woonden. In deze compound zaten tientallen zieke mensen. Die ochtend waren er 17 doden opgehaald door het ebola-begrafenisteam. Een jonge vrouw zat daar op haar hurken heen en weer te wiegen, met haar ogen gesloten, haar armen als in een omhelzing om haar schouders gevouwen. “Zij is de schuldige!” riep een oudere vrouw met schelle stem. De woede weerklonk over het hele getto. Ik ging op mijn hurken voor de jonge vrouw zitten, op ruim twee meter afstand. Ze knikte met haar hoofd, haar ogen nog steeds gesloten. “Ik heb ze allemaal vermoord,” zei ze. Haar stem was vlak, maar de emotie spatte uit alle vezels van haar lichaam. Ze had het niet expres gedaan, legde ze uit. Ze geloofde gewoon niet in ebola. Terwijl in de compound schuin tegenover haar eigen huis al 58 mensen aan de ziekte waren gestorven, had ze zich gewoon niet kunnen voorstellen dat het ook haar zou kunnen overkomen.

Haar vriend, die even hogerop de heuvel apart van haar woonde, was ziek geworden. Hij zat in quarantaine. Haar eigen compound ook, maar die quarantaine was eigenlijk alleen preventief. Niemand was ziek. Dus sloop ze ’s nachts onder het lint door om haar vriend eten te brengen en hem te verzorgen. Toen ze hem op een ochtend dood aantrof in zijn kamer, hield ze hem in haar armen. Enkele dagen later werd ze zelf ziek. Niet heel ernstig, maar wel ziek. De angst voor ebola spookte door haar hoofd, maar ergens kon ze zich niet voorstellen dat ze besmet was geraakt. En ze was bang voor de reacties van haar familie. Dus hield ze het zo goed mogelijk verborgen. Het ene na het andere familielid werd ziek. Ernstig. Toen ebola in haar compound eenmaal was uitgeraasd, waren er 64 familieleden en medebewoners overleden.

Ebola en corona zijn in veel opzichten niet met elkaar te vergelijken. En toch heb ik de afgelopen weken vaak het gevoel in exact dezelfde nachtmerrie te zijn beland. Het mogen dan heel verschillende virussen zijn, met een groot verschil in morbiditeit; het effect op de samenleving is exact hetzelfde en menselijk gedrag blijft menselijk gedrag. Het hele scenario wat wij nu met de coronacrisis meemaken, heb ik eerder gezien.

De ontkenning, het optimisme, de drang naar positieve interpretatie, de hoop, het tegen beter weten in handelen, de vrees om ingrijpende maatregelen te nemen, het verhullen van de waarheid, het gegoochel met cijfertjes. Je zou de toespraken van Rutte 1 op 1 over die van de toenmalige president van Sierra Leone Koroma kunnen plakken. Er zit nauwelijks verschil in. De initiële nonchalance, de ontspannen ‘alles onder controle’ glimlach bij persconferenties, ook president Koroma benaderde zijn volk op die manier. Hoe heftiger de uitbraak werd, hoe minder er viel te verhullen, hoe meer ook de stress bij de president toenam, zoals we dat nu ook bij premier Rutte zien gebeuren.

In West-Afrika sloeg ebola het hardst toe, toen de besmette landen het idee hadden de verspreiding zo’n beetje onder controle te hebben. Toen kwam de ziekte in de overbevolkte steden aan en kwam er een lawine aan nieuwe gevallen. In zijn toespraak aan Nederland liet premier Rutte gisteren weten dat er enkele ‘groene grassprietjes’ zijn. En dat geluid horen we eigenlijk al de hele week. De maatregelen van twee weken geleden lijken effect te hebben. Het RIVM ziet een afvlakking. In Noord-Brabant zijn er minder besmettingen. Het ziet er hoopvol uit. Op de kaart zie ik echter een alarmerende verschuiving van epicentra ontstaan. Onder andere Rotterdam en Amsterdam en omgeving noteren steeds meer coronagevallen. De alarmbellen van toen, in Freetown, rinkelen kei- en keihard.

Een verspreiding van zo’n besmettelijk virus in dichtbevolkte steden, heeft een totaal andere dynamiek en snelheid dan in een gebied als Noord-Brabant. De leefomstandigheden in de steden verschillen sterk van die in de provincies en ook het gedrag en de sociale binding die mensen met hun omgeving hebben, zijn niet met elkaar te vergelijken. Woongroepen, grote gezinnen en woonruimtes met gedeelde voorzieningen, vormen een groot risico op clusterbesmettingen: vele zieken in één huishouden, geen mogelijkheid tot quarantaine en een grotere sociale afstand van bijvoorbeeld buren, die zieke gezinnen
zouden kunnen helpen.

Afgezien van de – nog steeds veel te grote groep – mensen die zich niets van corona aantrekken, zijn er zeker in de grote steden veel mensen, die zich niet aan de coronamaatregelen kúnnen houden. Een huishouden met een klein budget kan zich niet voorbereiden op een wekenlange quarantaine. Wie geen goede band heeft met de buren, kan er geen beroep op doen om boodschappen te halen. De minst zieke bewoners zullen dan toch naar buiten moeten. Die dwarse oudere dame die bij de groenteboer toch net even te dicht langs moet lopen, de man die ‘schijt aan corona’ toch per se over het midden van de stoep moet lopen, die ene moeder die haar kinderen gewoon niet in bedwang heeft, zij geven corona weer door aan hun eigen huishoudens.

Hoe langer de coronamaatregelen van kracht zijn, hoe lakser we worden, zo zit de mens nu eenmaal in elkaar. Het is op dat moment, dat het virus het hardst om zich heen zal grijpen. Niet omdat we niet willen meewerken, maar omdat we het terloops vergeten, of omdat we wel naar de winkel móeten. Omdat mensen het ziek zijn ontkennen en toch naar buiten gaan. Omdat we diep in onze harten steeds maar blijven hopen dat het allemaal wel mee zal vallen.

Het is dat constante balanceren tussen hoop en vrees, waardoor we die eerste kriebels in de keel ook aan onszelf willen blijven ontkennen. En die ontkenning gaat, zo is zovele malen al met zulke dramatische gevolgen gebleken, gepaard met overmoedig gedrag. Als je het maar hard genoeg blijft ontkennen, is het geen corona. We gaan naar buiten. Tegen beter weten in. Tenzij we zichtbaar ziek zijn, zullen velen van ons de beginnende corona blijven verstoppen. Niet uit kwaadaardigheid, maar uit angst.

In een andere sloppenwijk in Sierra Leone zat ik, op gepaste afstand, naast een stervende man van 76. Hij was blij dat hij zou sterven, ook al had hij helse pijn. Het was bij hem begonnen, de ebola. Hij had het ergens gevoeld, vertelde hij. Hij vreesde het. Maar toch was hij ervan overtuigd dat het niet waar kon zijn. Hij ging gewoon naast zijn vrouw in bed liggen, met dat spokende stemmetje in zijn hoofd. Hij was als kind al verliefd op haar geweest, vertelde hij. Vanaf zijn vijftiende waren ze samen. Ze hadden samen de oorlog overleefd, honger, drie doodgeboren kinderen en het verlies van vier kinderen op jonge leeftijd. De ebola deed hem minder pijn dan zijn geweten. Hij had haar besmet. Ze was binnen enkele dagen dood. Het verdriet brak hem, maar ook zijn weerstand. Ebola verloste hem van een leven dat voor hem pijnlijker was geworden, dan die helse ziekte zelf.

Het vertrouwen van onze minister-president in onze eigen verantwoordelijkheid is een bijzonder goed. In tijden van relatieve rust. In tijden van crisis kan dit echter de maas zijn, waardoor corona dichter en dichter bij ons kruipt. In West-Afrika kwam ebola pas onder controle toen de overheden échte maatregelen namen. Corona is nieuw en overvalt ons. Onze overheden weifelen net zo lang als die van de ebolalanden van toen. We kunnen echter onze ogen niet blijven sluiten voor de beelden van de wereld om ons heen. De lijkkisten, de vele urnen, de dramatische beelden van ic’s in andere landen.

Natuurlijk hoop ook ik, dat die grassprietjes duiden op een rooskleurige nabije toekomst en dat dat soort dingen als bij een wonder bespaard zullen blijven. Maar niemand, ook het RIVM niet, heeft er enig idee van waar precies de incubatie wordt uitgezeten en waar het straks tot uitbarsting komt. We meten niet. We hebben geen idee wie besmet raakt, waar dat is gebeurd en waar het mee naartoe wordt genomen. Volle passagiersvliegtuigen uit coronabrandhaarden, epicentra in grote steden, het lijkt een recipe for disaster. Het enige wat corona nu nog tot halt kan brengen, is een einde aan dat balanceren tussen hoop en vrees.

Harde maatregelen maken een einde aan die twijfel in onszelf. Als we namelijk iets hebben kunnen leren van ebola, is het dat mensen – hoe dodelijk zo’n virus ook is – pas stoppen met risico’s nemen, als ze daartoe gedwongen worden.